textiel
Created by L
| Term | Definition |
|---|---|
Textielvezel | een vezelvormig materiaal dat dient als basis voor textielproducten. |
Polymeer | een stof opgebouwd uit lange ketens van monomeren. |
Monomeer | klein molecuul dat kan koppelen tot een polymeerketen. |
Kristallijn gebied | geordend deel van een polymeer met weinig beweeglijkheid en hoge sterkte. |
Amorf gebied | ongeordend deel van een polymeer met meer ruimte en hogere beweeglijkheid. |
Kristalliniteit | percentage geordende zones in een vezel, bepalend voor sterkte en stijfheid. |
DP (Degree of Polymerisation) | aantal monomeren dat samen één polymeerketen vormt. |
Natuurlijke vezels | vezels afkomstig van planten, dieren of mineralen. |
Synthetische vezels | volledig kunstmatig geproduceerde polymeren. |
Semi synthetische vezels | chemisch bewerkte natuurlijke polymeren (bv. viscose). |
Cellulosevezels | plantaardige vezels opgebouwd uit β glucose-eenheden. |
Proteïnevezels | dierlijke vezels opgebouwd uit aminozuren (wol, zijde). |
Vlas | cellulosevezel met hoge kristalliniteit en hoog vochtopnemend vermogen. |
Katoen | cellulosevezel met middelhoge kristalliniteit en lage vochtopname. |
Wol | proteïnevezel met lage kristalliniteit en hoge vochtopname. |
Zijde | proteïnevezel met hoge kristalliniteit en glad filament. |
Rayon | semi synthetische cellulosevezel met lage DP en lage sterkte. |
Textiel | flexibel materiaal opgebouwd uit vezels, verwerkt tot garens en structuren. |
Weefsel | textielstructuur opgebouwd uit ketting- en inslagdraden. |
Breisel | textielstructuur opgebouwd uit lussen. |
Non woven | textiel zonder weef- of breistructuur (bv. vilt). |
Monumentaal textiel | grote textielobjecten zoals wandtapijten, gordijnen, baldakijnen. |
Passementerie | decoratieve textielafwerking zoals franjes, koorden, galons. |
Hippomobiel erfgoed | textiel in voertuigen zoals koetsen, auto’s, trams. |
Kerkelijk textiel | liturgische gewaden en objecten zoals kazuivels, stola’s, vaandels. |
Archeologisch textiel | textiel dat onder de grond bewaard is gebleven. |
Fysische degradatie | schade door mechanische krachten of omgevingsfactoren. |
Chemische degradatie | schade door chemische reacties zoals oxidatie, hydrolyse of fotodegradatie. |
Alteratie | chemische verandering van materiaal zonder noodzakelijk destructie. |
Intern verval | onomkeerbare chemische afbraak van het materiaal. |
Oxidatie | reactie met zuurstof die leidt tot ketenbreuk, verkleuring en verzwakking. |
Fotodegradatie | afbraak door licht, vooral UV, met verkleuring en sterkteverlies. |
Hydrolyse | splitsing van chemische bindingen door water, leidt tot DP daling en brosheid. |
Cross linking | nieuwe chemische verbindingen tussen ketens die brosheid veroorzaken. |
Vergeeling | oxidatieproduct bij cellulose en proteïnen. |
Bleekveld | grasveld waar linnen door zonlicht werd gebleekt. |
Metaalcorrosie | oxidatie van metaaldraden in textiel, vaak door vocht. |
Zilversulfide | zwart corrosieproduct op zilverdraad door reactie met zwavel. |
Legwerk | constructie aan de achterkant van wandtapijten ter ondersteuning. |
Doublage | versteviging door een tweede laag textiel aan te brengen. |
Treksterkte | maximale kracht die een vezel of garen kan weerstaan. |
Effenbinding | weefbinding waarbij elke inslag afwisselend boven en onder ketting loopt. |
Keperbinding | weefbinding met diagonaal patroon. |
Satijnbinding | weefbinding met lange vlotters en weinig bindingspunten. |
Zwaartekrachtschade | vervorming of scheuren door eigen gewicht van textiel. |
Mechanische schade | schade door trekken, schuren, manipulatie of gebruik. |
Vlekken | lokale vervuiling die chemische degradatie versnelt. |
Stofophoping | schurend vuil dat vezels beschadigt en insecten aantrekt. |
Waterschade | kringen, brosheid, kleuruitloop en schimmelvorming door vocht. |
Schimmel | biologische aantasting door micro-organismen bij hoge RV. |
Mycelium | netwerk van schimmeldraden dat in textiel kan doordringen. |
Insectenschade | materiaalverlies door motten, kevers of larven. |
Pelsmot | motsoort waarvan larven proteïnevezels eten. |
Kledermot | mot die vooral wol en bont aantast. |
Museumkever | kever waarvan larven gaten in textiel vreten. |
IPM (Integrated Pest Management) | geïntegreerde strategie om plagen te voorkomen en te bestrijden. |
Feromoonval | val met lokstof om motten te monitoren. |
Anoxie | behandeling waarbij zuurstof wordt verwijderd om insecten te doden. |
Vriezen | methode om insecten te bestrijden door lage temperaturen. |
Thermolignum | warmtebehandeling tegen insecten. |
Relatieve vochtigheid (RV) | hoeveelheid waterdamp in de lucht, cruciaal voor textielbehoud. |
CIELAB | kleurmeetsysteem met L, a, b coördinaten.*ΔE |
Lichtkrediet | maximale hoeveelheid licht die een object mag ontvangen. |
Lux | eenheid van lichtsterkte. |
Blauwe wol standaard | referentie om lichtgevoeligheid van kleurstoffen te meten. |
Opspannen | textiel strak bevestigen, risico op mechanische schade bij RV schommelingen. |
Krimp | verkorting van vezels bij hoge RV. |
Uitrekkingen | vervorming bij lage RV. |
Brosheid | verlies van flexibiliteit door chemische afbraak. |
Ondersteuningsvorm | op maat gemaakte drager voor veilig bewaren van textiel. |
Oprollen | bewaarmethode voor grote textielobjecten om vouwen te vermijden. |
Vlak bewaren | methode om kwetsbaar textiel te beschermen tegen spanning. |
Beschermhoes | stofwerende verpakking voor hangende kleding, vaak uit tyvek vervaardigd. |