Ontwikkelingsleer week 4 en 5
Created by Stijn Wetzels
Disequilibrium
Wanneer ervaringen onze bestaande kennis ernstig uitdagen. Motiveert om onze denkprocessen aan te passen via equilibratie: het streven naar evenwicht tussen onze interne opvattingen en de externe opvattingen
| Term | Definition |
|---|---|
Disequilibrium | Wanneer ervaringen onze bestaande kennis ernstig uitdagen. Motiveert om onze denkprocessen aan te passen via equilibratie: het streven naar evenwicht tussen onze interne opvattingen en de externe opvattingen |
Sensomotorische fase (0-2 jaar) | ![]() |
Intuïtief redeneren/magisch denken in de pre-operationele fase (2-7 jaar) | ![]() |
Dialectisch denken | Onderdeel van post-formeel denken. Men kan tegenstrijdigheden en paradoxen herkennen en proberen deze te combineren in een grotere, meer samenhangend begrip |
Zone van naaste ontwikkeling (Vygotsky) | Het verschil tussen wat kinderen zelfstandig kunnen leren en met begeleiding van een meer vaardige partner |
Scaffholding | Gestructureerde hulp die geleidelijk wordt afgebouwd naarmate de leerling zelfstandig wordt |
Privéspraak | Volgens Vygotsky spraak gericht naar het kind zelf die het denken en handelen stuurt |
Metacognitie | Het vermogen om je eigen cognitieve processen te observeren en besturen |
permastore | Kennis en vaardigheden die lang geleden zijn geleerd, blijven lang bestaan |
Associatieve deficithypothese | Oudere volwassenen herkennen losse items even goed als jongere maar presteren slechter bij gepaarde informatie zoals naam-gezichtsassociatie |
Leeftijd-prospectief geheugen paradox | Jongvolwassenen presteren beter dan oudere volwassenen in het lab op prospectief geheugen, maar slechter in het echte leven |
Cued recall bij baby's | Baby's herinneren zich eerder geleerde vaardigheden veel beter wanneer ze hints krijgen |
Fuzzy-trace theorie | Stelt dat we herinneringen op twee manieren opslaan: Als instabiele details (verbatim) en als stabiele hoofdboodschap (gist) |
Scripts/General event representation (GERs) | Een script is een mentale representatie van een typische reeks gebeurtenissen in een vertrouwde context. Kinderen maken veelvuldig gebruik van scrips |
metamemory | Inzicht in het eigen geheugen |
Mild Cognitive Impairment (MCI) | Cognitieve pproblemen zijn duidelijk aanwezig en ernstiger dan normaal is voor de leeftijd maar nog niet de ernst van dementie |
Reminiscence bump | 70-80 jarige hebben een buitenproportioneel aantal herinneringen aan hun adolescentie en vroege volwassenheid |
Emotie | omvat een subjectieve evaluatie, fysiologische arousal en expressie. |
Het Proces Model van Emotie Regulatie | Legt uit hooe mensen hun emoties kunnen sturen op verschillende momenten ![]() |
emotienele competentie | In de kleuter- en schoolleeftijd worden de kinderen beter in het uiten, begrijpen en reguleren van emoties
Ontwikkelen mental time-travel, waarbij ze zowel cognitieve als emotionele aspecten van gebeurtenissen kunnen anticiperen of terughalen. |
Contra-hedonische doelen | Jongeren proberen niet altijd hun stemming ter verbeteren, maar soms juist negatieve emoties te behouden of positieve te verminderen |
Moraliteit | Bestaat uit: Cognitieve component, emotionele component en gedragscomponent |
Cognitieve ontwikkelingstheorie over moreel redeneren | het denkproces dat plaatsvindt bij het bepalen of een handeling goed of fout is ![]() |
Morele onthechting | Wanneer mensen immoreel gedrag goedpraten om schuldgevoelens te vermijden |
Dual-process model | Stelt dat zowel emotionele, inuïtieve onderbuikreacties als cognitieve, doordachte afwegingen een rol in morele besluitvorming spelen. |
Psychoanalytische theorie | Morele emoties spelen een centrale rol in moreel gedrag. negatieve emoties remmen verkeerd gedrag waarbij positieve emoties moreel gedrag stimuleren.
Superego is de interne stem van mensen ontwikkelt door vroege opvoeding |
Theory of Mind (ToM) 1 jaar | is het vermogen om ideeën (theorieën) te vormen over de mentale wereld van jezelf en van anderen en om gedrag te verklaren in termen van mentale toestanden (bedoelingen, verlangens en verwachtingen) |
Joint attention | Houdt in dat een kind reageert op of initieert door te volgen wat iemand anders aanwijst of waar het naar kijk |
Desire psychology (2jaar) | Kinderen beginnen te begrijpen dat verlangens het gedrag sturen. |
Belief-desire psychology (3-4) | Kinderen begrijpen dat gedrag niet alleen door verlangens, maar ook door overtuigingen wordt bepaald |
Affectieve empathie | Dit betreft met iemand meevoelen, emotionele verbinding, compassie, emotionele bezorgdheid, emotionele besmetting (emotional contagion) |
Cognitieve empathie | Dit betreft rationeel begrip (het vermogen om de mentale toestand van een ander te herkennen en te begrijpen), het perspectief van iemand anders innemen en Theory of Mind. |
morele identiteit | Verwijst naar het idee dat iemand zichzelf ziet als een moreel peroon |
Moffits theorie | Stelt dat er twee soorten antisociaal gedrag zijn: vroege en late start |
Het sociale informatieverwerkingsmodel | Stelt dat agressief gedrag afhangt van hoe mensen sociale situaties interpreteren en verwerken. Bij een provocatie doorlopen mensen verschillende denkstappen om te bepalen wat er is gebeurd en hoe ze moeten reageren. Agressieve jongere hebben vaak hierbij een hostile atribution bias |
Patterson’s dwingende gezinsprocessen | ![]() |




