Empirisch-analytisch:
In een empirisch-analytische benadering wordt er op systematische wijze verschillende pedagogische behandelingen, methoden ingrepen, therapieën en dergelijke geprobeerd om te kijken of er sprake is van een verschillend pedagogisch effect.
1/85
| Term | Definition |
|---|---|
| Empirisch-analytisch: | In een empirisch-analytische benadering wordt er op systematische wijze verschillende pedagogische behandelingen, methoden ingrepen, therapieën en dergelijke geprobeerd om te kijken of er sprake is van een verschillend pedagogisch effect. |
| Systematiek: | Dit betekent dat het onderzoek op een duidelijke en ordelijke manier wordt uitgevoerd, volgens een vaste planning en methode. |
| Navolgbaarheid: | Dit houdt in dat het onderzoek zo wordt beschreven dat andere onderzoekers precies zen wat er is gedaan en het onderzoek kunnen herhalen. |
| Integratieve, interdisciplinair wetenschap: | Dit betekent dat de pedagogiek verschillende vakgebieden met elkaar combineert. Het kijkt niet alleen naar losse onderdelen, maar probeert alle belangrijke inzichten uit verschillende disciplines en op verschillende niveaus samen te brengen in één overzichtelijk en compleet beeld. |
| Pedagogiek als belangenbehartiger van het kind: | Dit betekent dat de pedagogiek ervoor zorgt dat de belangen van kinderen worden beschermd en vertegenwoordigd, omdat kinderen zelf vaak niet de middelen hebben om voor hun eigen rechten op te komen. |
| Integratieve theorie: | Dit betekent dat pedagogiek verschillende vakgebieden met elkaar verbindt en de kennis uit die disciplines samenvoegt. Zo ontstaat er een compleet en samenhangend beeld dat helpt om opvoedingsproblemen beter te begrijpen en op te lossen. |
| Empirische cyclus: | Dit is een stappenplan voor het doen van onderzoek waarbij je systematisch gegevens verzamelt en analyseert. Het helpt onderzoekers om op een gestructureerde manier van een vraag of observatie via een hypothese en voorspellingen naar het toetsen van die voorspellingen te komen. |
| Inductie: | Dit is het proces waarbij je vanuit een paar specifieke waarnemingen een algemene hypothese of idee vormt. Bijvoorbeeld: na het zien van een paar situaties denk je een patroon of verklaring te hebben ontdekt. |
| Deductie: | Dit is het proces waarbij je vanuit een algemene hypothese concrete voorspellingen afleidt die je vervolgens kunt testen in de praktijk. |
| Diagnostiek: | Dit is het proces waarbij onderzocht wordt wat er precies aan de hand is bij een kind, bijvoorbeeld welke problemen het kind ervaart op het gebied van leren of gedrag. |
| Behandeling: | Dit is de aanpak of hulp die wordt ingezet om het kind te ondersteunen en de problemen aan te pakken. |
| Interventiestudies: | Dit zijn onderzoeken waarin een behandeling of aanpak bewust wordt ingezet om te kijken of dit een bepaald effect heeft. Ze zijn belangrijk omdat ze niet alleen theorieën kunnen bevestigen, maar ook omdat ze in de klinische praktijk helpen om methoden op effectiviteit te testen. |
| Sensitiviteit: | Dit betekent dat ouders goed in staat zijn de signalen van hun kind op te merken, die correct te begrijpen en er snel en passend op te reageren. Sensitief ouderschap speelt een belangrijke rol bij het ontwikkelen van een veilige gehechtheidsrelatie tussen ouder en kind. |
| VIPP-SD: | Dit staat voor Video-feedback Intervention to promote Positive Parenting – Sensitive Discipline. Het is een evidence-based opvoedingsinterventie waarbij ouders via videobeelden feedback krijgen om hun sensitiviteit en opvoedingsvaardigheden te versterken. |
| Evidence-based: | Dit houdt in dat een methode of behandeling niet alleen bedacht of ervaren is, maar wetenschappelijk onderbouwd. |
| Interne validiteit: | Dit verwijst naar de mate waarin je zeker weet dat een gedragsverandering echt veroorzaakt is door de interventie zelf, en niet door andere factoren. |
| Externe validiteit: | Dit gaat over de generaliseerbaarheid van de resultaten. Met andere woorden: als een interventie effectief blijkt in een onderzoek, geldt dat dan ook voor andere doelgroepen, in andere situaties of met andere omstandigheden? |
| Randomized Controlled Trial (RCT): | Dit is een onderzoeksopzet waarbij deelnemers willekeurig (aselect) worden toegewezen aan een interventiegroep of een controlegroep. Door dit toevalsprincipe en het gebruik van voor- en nametingen wordt gecontroleerd voor de meeste bedreigingen van interne validiteit. Hierdoor kan men betrouwbaarder vaststellen of veranderingen echt door de interventie komen. |
| Selectieve of differentiële uitval: | Dit betekent dat deelnemers voortijdig stoppen met hun deelname, maar dat dit niet gelijk verdeeld is over de groepen. |
| Kindermishandeling: | Dit betekent elke bedreigende of gewelddadige vorm van interactie met een minderjarige die afkomstig is van ouders of andere personen van wie het kind afhankelijk is. |
| Intergenerationele overdracht: | Dit betekent dat mishandeling van generatie op generatie kan worden doorgegeven. Ouders die zelf als kind mishandeling hebben meegemaakt, hebben een grotere kans om hun eigen kinderen ook te mishandelen. |
| Risicofactoren: | Dit zijn kenmerken of omstandigheden die de kans op kindermishandeling vergroten, maar die niet automatisch leiden tot mishandeling. Voorbeelden zijn: lage opleiding, werkloosheid, alleenstaand ouderschap, psychische problemen bij de ouder, stress, weinig sociale steun, en conflicten binnen het gezin. Hoe meer risicofactoren tegelijk aanwezig zijn, hoe groter de kans op mishandeling. |
| Prevalentie | Dit verwijst naar hoe vaak een bepaald verschijnsel voorkomt in een bepaalde groep of populatie. In het kader van kindermishandeling betekent het het percentage kinderen dat te maken heeft met een bepaalde vorm van mishandeling, zoals fysiek, emotioneel of seksueel misbruik. |
| Ondertoezichtstelling (OTS): | Dit is een maatregel opgelegd door de kinderrechter waarbij ouders hun opvoedingsverantwoordelijkheden behouden, maar ondersteund worden door een officieel benoemde gezinsvoogd. |
| Hulpverlening en behandeling: | Dit verwijst naar professionele ondersteuning gericht op het verbeteren van de situatie van kinderen die in hun ontwikkeling worden bedreigd. Hulpverlening richt zich vaak op begeleiding en ondersteuning van het gezin, terwijl behandeling ook kan betekenen dat specifieke problemen van het kind of de ouders actief worden aangepakt om verbetering te bereiken. |
| Wet op de Jeugdhulpverlening (1989): | Dit was de eerste Nederlandse wet die een wettelijke basis gaf aan georganiseerde hulp aan kwetsbare jeugdigen. Het belangrijkste principe was het zogenaamde “zo licht, zo dichtbij, zo kort, zo tijdig”-beleid: hulp moest bij voorkeur thuis, regionaal, kortdurend en preventief worden geboden. |
| Bureau Jeugdzorg: | Dit is een overheidsinstantie die verantwoordelijk is voor een integrale toegang tot jeugdzorgvoorzieningen. Het huisvest onder andere het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) en voert civielrechtelijke maatregelen (zoals kinderbescherming) en strafrechtelijke taken (zoals jeugdreclassering) uit. |
| Ambulante hulp: | Dit is jeugdhulp die buiten residentiële instellingen wordt geboden, bijvoorbeeld in het gezin thuis of in de directe omgeving van het kind. Het doel is om de hulp zo licht, kortdurend en dichtbij mogelijk te maken, zoals vastgelegd in het “zo-zo-zo-beleid”. |
| Pleegzorg: | Dit is een vorm van opvang waarbij een kind tijdelijk of langdurig in een pleeggezin wordt geplaatst. Het kind blijft juridisch gezien vaak onder verantwoordelijkheid van de ouders of de kinderrechter, maar het pleeggezin zorgt voor dagelijkse verzorging, opvoeding en begeleiding. Pleegzorg vindt meestal plaats wanneer het kind thuis tijdelijk niet veilig of geschikt kan opgroeien. |
| Residentiële zorg: | Dit is een vorm van jeugdzorg waarbij een kind in een instelling woont, zoals een internaat, jeugdzorgkliniek of behandelgroep. De instelling biedt 24-uurs zorg, begeleiding en behandeling, vaak voor kinderen die intensievere ondersteuning nodig hebben dan thuis of in een pleeggezin mogelijk is. |
| John Bowlby: | was een Britse psycholoog en psychiater, bekend als grondlegger van de hechtingstheorie. Hij groeide op in een rijk gezin, maar had weinig direct contact met zijn ouders. Zijn dagelijkse verzorging was in handen van een kinderjuffrouw, en haar vertrek toen hij vier was, had waarschijnlijk een grote impact op hem. Op elfjarige leeftijd ging hij naar een kostschool, wat hij later onaangenaam vond. |
| Scheiding en hereniging: | De manier waarop kinderen reageren wanneer ze tijdelijk of langdurig gescheiden zijn van hun moeder of verzorger, en hoe veilig contact (hereniging) helpt om negatieve gevolgen te herstellen. |
| Cupboard-love theory: | Psychoanalytische verklaring dat kinderen zich vooral aan de moeder hechten omdat zij voedsel, warmte en lichamelijke verzorging biedt. |
| Imprinting: | Aangeboren neiging bij pasgeborenen (o.a. bij dieren) om een sterke band te vormen met het eerste bewegende object dat ze zien, gebruikt door Bowlby als voorbeeld voor aangeboren sociale binding. |
| Gehechtheidsgedrag: | Aangeboren gedragingen van kinderen, zoals zuigen, grijpen, volgen, huilen en lachen, die ervoor zorgen dat contact met de verzorger behouden blijft of hersteld wordt. |
| Evolutionaire verklaring: | Uitleg dat gehechtheidsgedrag zich heeft ontwikkeld omdat het bijdraagt aan overleving van het kind en daarmee aan het voortbestaan van de soort. |
| Harry Harlow: | Dierpsycholoog die aantoonde dat jonge apen een voorkeur hebben voor een zachte, warme moeder boven een voedende maar harde moeder, waarmee hij empirisch bewijs leverde voor het belang van warmte en contact bij gehechtheid. |
| Mary Ainsworth: | Amerikaanse psycholoog die samen met Bowlby de gehechtheidstheorie verder ontwikkelde; bekend om haar onderzoek naar moeder-kindrelaties in Oeganda en Baltimore. |
| Sensitiviteit 2: | Het vermogen van de ouder om de signalen van het kind te begrijpen en hier tijdig en adequaat op te reageren, wat de kans op veilige gehechtheid vergroot. |
| Vreemde Situatie Procedure: | Een laboratoriumtest ontwikkeld door Ainsworth om de kwaliteit van de gehechtheidsrelatie van een kind met de moeder te meten; hiermee kunnen kinderen worden ingedeeld in gehechtheidscategorieën zoals veilig, onveilig-vermijdend of onveilig-ambivalent. |
| Ego-documenten: | Persoonlijke documenten zoals dagboeken, brieven en autobiografieën, die inzicht geven in persoonlijke ervaringen en perspectieven van historische actoren. |
| Culturele filters: | De manier waarop onderzoekers historische bronnen interpreteren, beïnvloed door hun eigen tijd, waarden en culturele context. |
| Veronderstelde benadering: | Historische gebeurtenissen en onderwijspraktijken begrijpen vanuit aannames of verwachtingen van de onderzoeker, niet alleen op basis van directe bronnen. |
| Cultuur-historische invalshoek: | Benadering die onderwijs en opvoeding ziet als producten van de cultuur en tijd waarin ze plaatsvinden; legt nadruk op maatschappelijke en historische context. |
| Cultuuroverdracht: | Proces waarbij kennis, normen, waarden en vaardigheden van de ene generatie op de andere worden doorgegeven. |
| Randomized controlled trial (RCT) 2: | xperimentele onderzoeksmethode waarbij deelnemers willekeurig worden toegewezen aan een experimentele of controlegroep om causale effecten te meten. |
| Hawthorne-effect: | Fenomeen waarbij proefpersonen hun gedrag aanpassen omdat ze weten dat ze worden onderzocht. |
| Rousseau: | Filosoof die stelde dat kinderen van nature goed zijn en dat onderwijs moet aansluiten bij hun natuurlijke ontwikkeling. |
| Cultuurhistorische benadering: | Benadering die sociale en culturele context van leren en ontwikkeling centraal stelt, zoals ook bij Vygotsky (leren in interactie met cultuur). |
| Heteronome moraal: | Moreel denken gebaseerd op externe regels, autoriteit en straffen; typisch bij jonge kinderen. |
| Autonome moraal: | Moreel denken gebaseerd op interne principes, wederzijds respect en samenwerking; kinderen begrijpen dat regels menselijk zijn en aangepast kunnen worden. |
| Rechtvaardigheid als moreel principe: | Idee dat morele beslissingen gebaseerd zijn op eerlijkheid, gelijkheid en redelijkheid. |
| Preconventioneel niveau: | Moreel gedrag gericht op straf en beloning (eigen belang). |
| Conventioneel niveau: | Moreel gedrag gericht op sociale regels en verwachtingen (maatschappelijke normen). |
| Postconventioneel niveau: | Moreel gedrag gebaseerd op universele ethische principes en persoonlijke overtuigingen, los van conventies. |
| Sociaal-culturele verschillen: | Moreel redeneren kan variëren tussen culturen door verschillende normen en waarden. |
| Context-specifiek moreel oordelen: | Morele beslissingen kunnen verschillen afhankelijk van de situatie of context. |
| leerkrachtpercepties | verwijst naar hoe leerkrachten iets waarnemen, interpreteren of beoordelen — met andere woorden: hun opvattingen, overtuigingen of indrukken over een bepaald onderwerp dat met onderwijs te maken heeft. |
| Effectief onderwijs: | Onderwijs dat systematisch bijdraagt aan zowel de cognitieve als de sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen, door heldere instructie, structuur, ondersteuning en een veilig pedagogisch klimaat. |
| Developmental Systems Theory (DST): | Een ontwikkelingsbenadering die benadrukt dat kindontwikkeling het resultaat is van voortdurende interacties tussen biologische factoren, sociale relaties en de bredere omgeving. |
| Leerkracht-kind relatie: | De affectieve band tussen leraar en leerling, die kan worden gekenmerkt door warmte, nabijheid, conflict of afhankelijkheid, en die van invloed is op motivatie en leerprestaties. |
| Conflict: | Spanningen of negatieve interacties tussen leraar en leerling, die zich kunnen uiten in botsingen, misverstanden of gedragsproblemen. |
| Nabijheid (closeness): | Een warme, positieve en steunende relatie waarin leerling en leraar zich veilig en verbonden voelen. |
| Afhankelijkheid (dependency): | Wanneer een leerling sterk leunt op de leraar voor steun of bevestiging, wat kan helpen maar ook de zelfstandigheid in de weg kan staan. |
| Kenmerken kind: | Eigenschappen van het kind die de relatie met de leerkracht beïnvloeden, zoals temperament, leeftijd, sekse, motivatie en sociaal-emotionele vaardigheden. |
| Kenmerken leerkracht: | Eigenschappen en gedragingen van de leerkracht die de kwaliteit van interacties met leerlingen bepalen, zoals persoonlijkheid, pedagogische stijl, ervaring en verwachtingen. Leerkrachtpercepties: De manier waarop leerkrachten leerlingen waarnemen en beoordelen (bijv. als gemotiveerd of lastig), wat invloed heeft op hoe zij hen behandelen en begeleiden. |
| Cultureel vergelijkend onderzoek: | Onderzoek waarbij pedagogische praktijken, leerkracht-leerlingrelaties en onderwijssystemen in verschillende culturen worden vergeleken om overeenkomsten en verschillen te begrijpen. |
| Proximale processen: | zijn de regelmatige, directe interacties tussen een kind en zijn directe omgeving, die het leren en de ontwikkeling stimuleren. |
| EEG (elektro-encefalografie): | EEG is een techniek om de elektrische activiteit van de hersenen te meten door elektrodes op de hoofdhuid te plaatsen. Het werkt omdat groepen zenuwcellen gezamenlijk elektrische signalen produceren, en die kunnen we meten als ze synchroon vuren. Met EEG zie je vooral wanneer hersengebieden actief zijn (hoge temporele resolutie), maar het laat minder precies zien waar in de hersenen dat is. |
| fMRI (functionele MRI): | Functionele MRI meet hersenactiviteit indirect via veranderingen in de doorbloeding met zuurstof (BOLD-signaal). Wanneer een hersengebied actief is, stroomt er extra zuurstofrijk bloed naartoe, en dat kan de scanner waarnemen. Daarmee kun je kaartjes maken van welke gebieden actief zijn tijdens bijvoorbeeld een taak. fMRI heeft een goede ruimtelijke resolutie (je ziet wél waar in de hersenen) maar is minder goed in tijd (je ziet moeilijk heel snelle veranderingen). |
| Oxytocine: | Oxytocine is een hormoon/neurotransmitter dat een rol speelt bij sociale binding, vertrouwen, hechting en verzorgend gedrag. Soms wordt het het "knuffelhormoon" genoemd omdat het vrijkomt bij intimiteit en sociale interactie. Het beïnvloedt hoe we relaties aangaan en hoe we reageren op anderen in onze omgeving. |
| 'Tend-and-defend’-gedrag: | Dit begrip (soms “tend-and-befriend” genoemd) beschrijft een type reactie onder stress, vooral in sociale of relationele contexten: in plaats van alleen “vechten of vluchten” reageren mensen (met name vrouwen in sommige theorieën) door te zorgen (tend) voor anderen en door sociale verbanden te versterken (defend). Het idee is dat sociale steun en zorg een adaptieve manier zijn om om te gaan met bedreigingen. (Zie: oxytocine draagt bij aan “tend-and-defend” reacties bij intergroepdynamiek) |
| Neurotransmitter: | en neurotransmitter is een chemische boodschapper in de hersenen die signalen overbrengt tussen zenuwcellen (neuronen). Wanneer een neuron een elektrisch impuls stuurt, komt een neurotransmitter vrij in de synaps (ruimte tussen twee neuronen), bindt aan receptoren van een volgend neuron, en zet daar opnieuw een signaal in gang. |
| Methylatie (DNA-methylatie / epigenetica): | een biologisch mechanisme waarbij kleine chemische groepen (methylgroepen) worden aangehecht aan het DNA, meestal op specifieke plaatsen (bijvoorbeeld op cytosine- of CpG-dinucleotiden). Dit leidt ertoe dat genen minder actief (of actiever in sommige gevallen) kunnen zijn — het is een manier om genetische expressie te reguleren zonder de DNA-volgorde te veranderen. Epigenetische modificaties zoals methylatie laten zien hoe omgeving/cultuur en ervaring invloed kunnen hebben op welke genen “aan” of “uit” staan. (Bijv. methylatie van het oxytocinereceptor-gen kan de werking van oxytocine beïnvloeden) |
| NIRS (Near-Infrared Spectroscopy / functionele NIRS): | NIRS is een neurobeeldtechniek die gebruikmaakt van nabij-infrarood licht om veranderingen in zuurstofrijk en zuurstofarm bloed in hersenweefsel te meten. Omdat zuurstofrijk en zuurstofarm bloed verschillend licht absorberen en weerkaatsen, kan NIRS schatten welke delen van de hersenen actief zijn op basis van bloedveranderingen. NIRS is minder invasief en vaak mobieler dan MRI, maar heeft beperkingen in diepte en resolutie. |
| Onderwijsneurowetenschappen: | Dit is een interdisciplinair onderzoeksgebied dat kennis uit de neurowetenschappen combineert met leer- en onderwijskundige theorieën. Het doel is beter te begrijpen hoe leren in de hersenen werkt en hoe onderwijs daarop kan aansluiten (bijv. op welke momenten hersenen het meest plastisch zijn) om effectiever leren te ondersteunen. |
| Grijze stof (cortex / grijze massa): | het hersengebied waar de cellichamen van neuronen (inclusief dendrieten) zitten — dit zijn de cellen die informatie verwerken, beslissingen nemen, signalen integreren. Je kunt denken aan grijze stof als het “verwerkingscentrum” van de hersenen. |
| Witte stof: | bestaat uit de axonen (lange uitlopers van neuronen) omgeven door myeline, een isolerende laag. Deze structuren verbinden verschillende delen van de hersenen met elkaar, zodat informatie snel kan worden doorgegeven. Witte stof is dus verantwoordelijk voor de communicatie tussen verwerkingscentra (de grijze stof). |
| Neuromythen: | Neuromythen zijn misvattingen over de hersenen — foute ideeën die in de publieke opinie circuleren (zoals “we gebruiken maar 10 % van ons brein” of “links-/rechts-breinpersoonlijkheden”). Zulke mythes kunnen schadelijk zijn omdat ze wetenschappelijke inzichten vervormen of onderwijspraktijken onterecht beïnvloeden. |
| Cognitieve neurowetenschappen: | Dit is het vakgebied dat zich richt op de relatie tussen cognitieve functies (zoals geheugen, aandacht, taal, waarneming) en de onderliggende structuur en functie van de hersenen. Het zoekt uit welke hersengebieden welke cognitieve taken uitvoeren en hoe die taken georganiseerd zijn. |
| Rijpingsbenadering (maturational account): | Deze benadering stelt dat de ontwikkeling van de hersenen en de capaciteiten van een kind grotendeels gestuurd worden door biologische maturatie — dat wil zeggen: het brein “rijpt” volgens een interne biologische agenda, en pas als dat rijp is komen bepaalde functies tot expressie. Onderwijs wordt dan vaak gezien als iets dat vooral moet wachten tot het kind ‘klaar’ is. |
| Leerbenadering (skill learning account): | Volgens deze kijk zijn de veranderingen in de hersenen van kinderen niet fundamenteel anders dan bij volwassenen: leren is iets dat je tot op hoge leeftijd kunt stimuleren door oefening en training. De nadruk ligt op het idee dat vaardigheden kunnen verworven worden, zolang er voldoende oefening is, zonder te veel beperkingen door een biologische timing. |
| Interactieve specialisatiebenadering (interactive specialization account): | Deze benadering stelt dat hersengebieden zich tijdens de ontwikkeling specialiseren via interacties met andere hersengebieden én met de omgeving. Gebieden “leren” welke functies ze het beste kunnen ondersteunen door samen te werken en feedback te krijgen. Deze visie ziet ontwikkeling niet als puur biologisch of puur door oefening, maar als een interactief proces tussen aanleg, hersenstructuur en ervaring. |
| Plasticiteit: | Plasticiteit is het vermogen van de hersenen om zich te veranderen – door nieuwe verbindingen te vormen, oude te versterken of af te breken – onder invloed van leren, ervaring of schade. In een context van ontwikkeling betekent plasticiteit dat kinderen (en ook volwassenen) blijven leren en zich aanpassen, hoewel die mate van plastisch vermogen vaak afneemt naarmate we ouder worden. |