Biologie samenvatting:
Samenvatting Biologie Hoofdstuk 5.1 – Erfelijkheid
Chromosomen en DNA
• Je lichaam bestaat uit lichaamscellen.
• In elke lichaamscel zitten 46 chromosomen in de celkern.
• Chromosomen bestaan uit DNA.
• In het DNA ligt de informatie voor je erfelijke eigenschappen opgeslagen.
Celdeling en erfelijke informatie
• Alle lichaamscellen ontstaan uit één bevruchte eicel.
• Bij celdeling worden chromosomen eerst gekopieerd.
• Elke nieuwe cel krijgt dezelfde chromosomen.
• Daarom bevatten alle lichaamscellen dezelfde erfelijke informatie.
• Je erft de helft van je chromosomen van je moeder en de helft van je vader.
Genen en genotype
• Een gen is een stukje DNA met informatie voor een bepaalde eigenschap.
• Op chromosomen liggen duizenden genen.
• Een mens heeft ongeveer 20.000 genen.
• Het genotype is alle erfelijke informatie van een organisme samen.
• Het genotype ontstaat bij de bevruchting.
Actieve en niet-actieve genen
• Niet alle genen zijn in elke cel actief.
• Een cel gebruikt alleen de genen die nodig zijn voor zijn taak.
• Welke genen actief zijn, hangt af van de plek van de cel in het lichaam.
• Genen kunnen meer of minder actief zijn (hard of zacht staan).
Fenotype
• Het fenotype zijn alle eigenschappen van een organisme.
• Hieronder vallen:
o zichtbare eigenschappen (bijvoorbeeld oogkleur);
o onzichtbare eigenschappen (bijvoorbeeld bloeddruk).
Invloed van genotype, leefstijl en omgeving
• Het fenotype wordt bepaald door:
1. het genotype;
2. de leefstijl;
3. de omgeving.
Samenvatting Biologie Hoofdstuk 5.2 – Chromosomen en Erfelijkheid
Chromosomenparen
• Een lichaamscel van een mens bevat 46 chromosomen.
• Deze chromosomen vormen 23 paren.
• De twee chromosomen van een paar bevatten genen voor dezelfde eigenschappen.
Geslachtschromosomen
• Het 23e chromosomenpaar bepaalt het geslacht.
• Vrouw = XX
• Man = XY
• Heel soms komen andere combinaties voor (intersekse).
Verschillende informatie op chromosomen
• De chromosomen van een paar bevatten genen voor dezelfde eigenschappen.
• De informatie in die genen kan verschillen.
• Voorbeeld:
o één gen voor bruine ogen
o één gen voor blauwe ogen
• Deze verschillende vormen van een gen noem je allelen (vaak belangrijk om te kennen).
Geslachtscellen
• Geslachtscellen zijn:
o eicellen
o zaadcellen
• Ze bevatten 23 chromosomen (niet 46).
• Van elk chromosomenpaar zit er maar één chromosoom in een geslachtscel.
Bevruchting
• Bij bevruchting versmelten een eicel en een zaadcel.
• 23 chromosomen van de moeder + 23 chromosomen van de vader = 46 chromosomen.
• De bevruchte eicel heeft weer 23 chromosomenparen.
Hoe wordt het geslacht bepaald?
• Een eicel bevat altijd een X-chromosoom.
• Een zaadcel bevat een X- of Y-chromosoom.
• X + X = meisje (XX)
• X + Y = jongen (XY)
Genotype en fenotype
• Je krijgt voor elke eigenschap twee genen: één van je moeder en één van je vader.
• Soms verschillen die genen.
• Het sterkste gen bepaalt vaak welke eigenschap zichtbaar wordt.
• Voorbeeld:
o gen voor krullend haar is sterker dan gen voor steil haar;
o dan krijg je krullend haar in je fenotype.
Samenvatting Biologie Hoofdstuk 5.3 – Meiose, Variatie en Mutaties
Meiose
• Meiose is een speciale celdeling waarmee geslachtscellen ontstaan.
• Geslachtscellen (eicellen en zaadcellen) bevatten 23 chromosomen.
• Van elk chromosomenpaar komt maar één chromosoom in een geslachtscel terecht.
• Welke chromosomen worden doorgegeven, wordt bepaald door toeval.
Variatie
• Door meiose ontstaan veel verschillende combinaties van genen.
• Hierdoor hebben kinderen een ander genotype dan hun ouders.
• Broers en zussen verschillen ook van elkaar (behalve eeneiige tweelingen).
• Dit noem je variatie.
Mutatie
• Een mutatie is een plotselinge verandering in het DNA of genotype.
• Mutaties ontstaan door beschadiging van een chromosoom of gen.
• Een mutatie in een lichaamscel heeft meestal weinig gevolgen.
• Een mutatie in een geslachtscel kan worden doorgegeven aan nakomelingen.
Albino (mutant)
• Een organisme met een zichtbare mutatie heet een mutant.
• Een albino kan geen melanine (pigment) maken.
• Daardoor zijn huid, haren en ogen erg licht.
Mutagene invloeden
Factoren die mutaties kunnen veroorzaken heten mutagene invloeden.
Voorbeelden:
• UV-straling (zonlicht)
• Röntgenstraling
• Radioactieve straling
• Asbest
• Stoffen in sigarettenrook
Kanker
• DNA regelt normaal de celdeling.
• Door mutaties kunnen cellen zich ongecontroleerd gaan delen.
• Er ontstaat dan een tumor (gezwel).
Goedaardige tumor
• Groeit langzaam.
• Dringt niet binnen in andere weefsels.
• Kan vaak worden verwijderd.
Kwaadaardige tumor (kanker)
• Groeit snel.
• Beschadigt omliggende weefsels.
• Kan zich verspreiden door het lichaam.
Uitzaaiingen
• Kankercellen kunnen via bloed of lymfe worden vervoerd.
• Op andere plekken ontstaan dan nieuwe tumoren.
• Dit heet uitzaaiing.
Samenvatting Biologie Hoofdstuk 5.8 – Tweelingen
Tweelingen
• Ongeveer 1 op de 80 zwangerschappen is een tweeling.
• Van alle tweelingen is:
o 2/3 twee-eiig
o 1/3 eeneiig
Twee-eiige tweeling
• Ontstaat wanneer twee eicellen vrijkomen bij de ovulatie.
• Beide eicellen worden bevrucht door een zaadcel.
• Er ontstaan dus twee verschillende bevruchte eicellen.
• Twee-eiige tweelingen verschillen genetisch net zoveel als gewone broers en zussen.
• Ze kunnen:
o twee jongens zijn;
o twee meisjes zijn;
o of een jongen en een meisje.
Eeneiige tweeling
• Ontstaat uit één bevruchte eicel.
• Tijdens de eerste celdelingen splitst het klompje cellen zich in tweeën.
• Er ontstaan twee embryo's met hetzelfde genotype.
• Eeneiige tweelingen lijken daarom sterk op elkaar.
• Ze zijn altijd:
o twee jongens, of
o twee meisjes.
Meerlingen
• Soms worden meer dan twee kinderen tegelijk geboren.
• Bijvoorbeeld:
o drieling;
o vierling.
• Gen = stukje DNA/chromosoom met informatie voor een erfelijke eigenschap (bijv. haarkleur).
• Allel = een variant van een gen (bijv. zwart haar of blond haar).
• Je hebt van elk gen 2 allelen: één van je moeder en één van je vader.
Dominant en recessief
• Dominant allel → wordt altijd zichtbaar als het aanwezig is. Schrijf je met een hoofdletter (A).
• Recessief allel → wordt alleen zichtbaar als je er twee hebt. Schrijf je met een kleine letter (a).
Voorbeeld haarkleur
• Zwart haar = dominant (A)
• Blond haar = recessief (a)
Genotype Fenotype (zichtbaar)
AA Zwart haar
Aa Zwart haar
aa Blond haar
• Homozygoot = twee dezelfde allelen → AA of aa
• Heterozygoot = twee verschillende allelen → Aa
Alle begrippen voor bio:
Fenotype: eigenschappen van een organisme, waaronder het uiterlijk
Chromosomen: lange dunne draden in de celkern
DNA: stof die informatie bevat voor erfelijke eigenschappen
Gen: stukjes DNA die samen de informatie bevatten voor een erfelijke eigenschap
Genotype: informatie voor de erfelijke eigenschappen van een organisme
Geslachtschromosomen: 23e chromosomenpaar dat het geslacht bepaalt
Geslachtscellen: cellen waarbij de chromosomen enkelvoudig voorkomen
Meiose: celdeling waarbij de chromosomen verdeeld worden over de dochtercellen
Mutatie: plotselinge verandering van het genotype door een beschadiging in het chromosoom
Mutant: een organisme waarbij een mutatie zichtbaar is in het fenotype
Mutagene invloeden: stoffen en stralingen die mutaties kunnen veroorzaken
Tumor: gezwel waarin cellen zich ongeremd delen
Uitzaaing: cellen van de tumor komen in het bloed terecht en vormen in andere organen nieuwe tumoren
Eeneiige tweeling: tweeling ontstaan uit één bevruchte eicel
Twee-eiige tweeling: tweeling ontstaan uit twee bevruchte eicellen
Allel: de variaties in een gen
Dominant: de eiegenschap dat zichtbaar wordt. De zichtbare allel.
Recessief: het allel dat niet altijd zichtbaar wordt
Homozygoot: dezelfde allelen
Heterozygoot: verschillende allelen
1/1