Hout
Created by L
Hout
Een driedimensionaal anisotroop en hygroscopisch materiaal, opgebouwd uit cellulose, hemicellulose en lignine
| Term | Definition |
|---|---|
Hout | Een driedimensionaal anisotroop en hygroscopisch materiaal, opgebouwd uit cellulose, hemicellulose en lignine |
Anisotroop | Materiaal waarvan eigenschappen verschillen naargelang de richting (longitudinaal, radiaal, tangentiaal) |
Hygroscopisch | Het vermogen van hout om water op te nemen en af te geven uit de omgeving |
Cellulose | Lineair polymeer dat de basis vormt van de celwand en zorgt voor sterkte, langste keten, 40-45%, (C6H10O5)n |
Hemicellulose | Kortere, vertakte polymeren die de celwand flexibel maken, 10-25% |
Lignine | Complex polymeer dat cellulosevezels verstijft en hout hard maakt |
Primaire groei | Lengtegroei van de boom via meristemen |
Secundaire groei | Diktegroei door het vasculair cambium |
Xyleem | Houtweefsel dat water en mineralen transporteert |
Floëem | Bastweefsel dat suikers transporteert van bladeren naar wortels |
Spinthout | Jong, actief xyleem dat water transporteert, voedselrijk --> aantrekkelijk voor insecten (micro-biologische aantasting), dus wordt vaak weggehaald bij meubelbouw |
Kernhout | Ouder, donkerder hout dat geen water meer transporteert en gevuld is met inhoudsstoffen, verkernd spinthout |
Merg | Centrale kern van de stam, oudste weefsel |
Schors | Buitenste beschermlaag van de boom, dood weefsel |
Cambium | Dunne cellaag die nieuw hout en bast vormt |
Stralen | Radiale cellen die horizontaal transport mogelijk maken |
Jaarring | Jaarlijkse groeizone bestaande uit vroeghout en laathout |
Vroeghout | Licht, poreus hout gevormd in het voorjaar |
Laathout | Donkerder, dichter hout gevormd in de zomer |
Transversaal vlak | Doorsnede loodrecht op de stam-as ![]() |
Radiaal vlak | Doorsnede door de lengteas, zichtbaar met stralen -> "spiegels" ![]() |
Tangentiaal vlak | Doorsnede evenwijdig aan de groeiringen, groeiringen > tekening (vlam) ![]() |
Groen hout | Bevat ca. 50% water, vers gekapt hout, droging noodzakelijk voor gebruik ![]() |
Vrij water | Water in de celholtes van vers hout |
Gebonden water | Water dat chemisch gebonden is aan celwandstructuren |
Vezelverzadigingspunt (FSP) | Punt waarop celwanden verzadigd zijn met gebonden water maar celholtes leeg zijn --> enkel gebonden water |
Evenwichtsvochtgehalte (EMC) | Vochtgehalte waarbij hout in evenwicht is met de relatieve luchtvochtigheid --> geen vochtopname/geen vochtafgifte |
Hysteresis | Chemische/fysische/structurele
veranderingen in het hout door verschil in vochtgedrag tussen opname en afgifte |
Krimp | Volumevermindering van hout bij vochtverlies onder FSP |
Zwel | Volumetoename van hout bij vochtopname onder FSP |
Longitudinale krimp | Zeer beperkte krimp langs de vezelrichting |
Radiale krimp | Matige krimp loodrecht op de groeiringen |
Tangentiaal krimp | Grootste krimp, evenwijdig aan de groeiringen |
Vervorming | Kromtrekken van hout door ongelijkmatige krimp of zwel |
Kromtrekken | Algemene term voor vervorming door vochtverschillen |
Radiaalbarsten | Scheuren die vanuit het hart naar buiten lopen door spanningsverschillen --> zwel/krimp coëfficiënten tussen weefselstructuren ![]() |
Cupvorming | Kromming waarbij de plank hol of bol trekt over de breedte |
Twist | Torsie waarbij een plank in spiraalvorm vervormt |
Bow | Kromming in de lengterichting |
Crook | Kromming langs de zijkant van een plank |
Compression set/ kompressiekrimp | Permanente volumevermindering door belemmerde zwel/krimp --> V0 ≠ V final ![]() |
Surface checking | Barstjes ontstaan door spanningen, geen grote structurele problemen, enkel esthetische invloed |
Interne spanningen | Spanningen in hout veroorzaakt door ongelijkmatige droging |
Honeycombing | Interne scheurvorming in het hout door te snelle droging ![]() |
Knoesten | Aanzet van een tak op de stam, invloed op esthetiek en structuur ![]() |
Fotodegradatie | Oppervlaktedegradatie door licht, irreversibel, grote esthetische impact
75 – 200 μm = oppervlakkig
400 μm (0,4 mm) = langdurige fotodegradatie
C-C verbindingen: 346 nm
C-O: 334 nm
C-H: 289 nm ![]() |
Lignine afbraak | Fotochemische reactie waarbij lignine degradeert en hout verkleurt |
Vergrijzing | Oppervlakkige grijze verkleuring door UV licht en oxidatie |
Delta E | Maat voor kleurverandering in hout, afhankelijk van extractstoffen |
Extractiestoffen | Natuurlijke chemische stoffen in hout die kleur en degradatie beïnvloeden |
Betuline | Kleurende inhoudsstof in berk die onder licht degradeert ![]() |
Oppervlakte erosie | Afbraak van de bovenste houtlaag door licht en weer |
Microbarsten | Kleine scheurtjes door fotochemische verzwakking |
Schimmelgroei | Microbiologische aantasting bij hoge vochtigheid
Optimum 20 en 32°C
+ adequaat houtvochtgehalte 19-30% (RV 70-100%)
+ zuurstof
+ voedingsbron (lignine, cellulose, hemicellulose) --> zuurtegraad van het hout (niveau van tannines), minder zuur --> meer gevoelig |
Zachtrot | Schimmeltype dat vooral (hemi)cellulose afbreekt en sponsachtig hout veroorzaakt samen met verkleuring, gewichtsverlies van tot 3 tot 60% ![]() |
Witrot | Schimmel die lignine én cellulose afbreekt, hout wordt vezelig, bleek en sponsachtig, gewichtsverlies tot 97% ![]() |
Bruinrot | Schimmel die cellulose depolymeriseert, hout wordt bruin en brokkelig, grote krimp, gewichtsverlies tot 70% ![]() |
Mycelium | Netwerk van schimmeldraden dat hout binnendringt |
Hyfen | Individuele schimmeldraden die celwanden aantasten |
Sporen | Voortplantingscellen van schimmels die verspreid worden via lucht |
Voedingsbodem | Houtcomponenten waarop schimmels groeien (cellulose, lignine, hemicellulose) |
Optimale schimmeltemperatuur | 20–32°C |
Minimaal houtvochtgehalte voor schimmel | ca. 19–30% (RV van 70-100%) |
Insectenaantasting | Schade door houtetende insecten (xylofagen) |
Xylofagen | Insecten die hout eten in larvale fase |
Larve | Ontwikkelingsstadium waarin insecten hout consumeren |
Imago | Volwassen insect dat uitvliegt |
Uitvlieggat | Opening waar volwassen insect het hout verlaat |
Boormeel | Uitwerpselen en houtresten geproduceerd door larven |
Identificatie insecten | 1) Biotoop (houtvoorkeur, vochtigheid)
2) Observatie morfologie boorgangen/uitvlieggaten
3) Observatie levende/dode eieren/larven/imago’s
(rondom/in object)
4) Studie van uitwerpselen (‘houtpoeder’) |
Kleine klopkever | Veroorzaakt ronde gaatjes van 1–2 mm, actief op warme dagen in het voorjaar, droog niet zuur loof- en naaldhout |
Bonte knaagkever | Veroorzaakt ronde gaten tot 4 mm, actief op warme dagen in het voorjaar, op vochtig loofhout |
Huisboktor | Veroorzaakt ovale uitvlieggaten van 3–6 mm, actief op warme dagen in het voorjaar, op (vrijwel) droog naaldhout met een voorkeur voor spinthout |
Spinthoutkever | Veroorzaakt ronde uitvlieggaten van 1-2 mm met verpulvert hout, zeer fijn boormeel, actief op warme dagen in juni-augustus, vooral op jong hout, spinthout, enkel in loofbomen |
Snuitkever | Veroorzaakt onregelmatige uitvlieggaten in de richting van de houtvezel, actief in de zomerperiode van juni tot augustus, op zeer vochtig en rottend hout |
Boorgangen | Tunnels die larven in hout maken, niet zichtbaar op het oppervlak |
Detritus | Uitwerpselen van insecten, gebruikt voor soortidentificatie |
Vochtgrens insecten | Minimumvochtgehalte dat nodig is voor larvale ontwikkeling |
Spinthoutvoorkeur | Voorkeur van sommige insecten voor voedzamer spinthout |
Koudebrug | Zone waar condens optreedt, verhoogt risico op schimmel en insecten |
Mechanische schade | Schade door impact, druk, trillingen of belasting |
Verkerning | Proces waarbij spinthout verandert in kernhout |
Inhoudsstoffen | Chemische stoffen in kernhout die duurzaamheid beïnvloeden |
Dichtheid | Massa per volume, beïnvloedt krimp en sterkte |
Volumetrische krimp | Totale krimp van hout in alle richtingen samen |
Droogdefect | Schade die ontstaat door foutieve droging |
Klimaatschommeling | Variatie in RV en temperatuur die degradatie versnelt |
Preventieve conservatie | Maatregelen om degradatie te voorkomen door klimaatbeheersing |












