Ontwikkelingsleer week 6/7
Created by Stijn Wetzels
| Term | Definition |
|---|---|
Imprinting | korte kritieke periode waarbij bepaalde informatie of gedragingen wordt vastgelegd. |
Interne werkmodellen (IWMs) | Dit zijn de mentale representatie van zichzelf en anderen die hun verwachtingen en gedrag in relaties sturen |
Cognitief-ontwikkelingspsychologisch (Piaget & Kohlberg) | Peers zijn gelijkwaardig, waardoor kinderen leren onderhandelen, perspectieven innemen en wederkerigheid begrijpen |
Neo-freudiaans (Sullivan) | De behoefte aan relaties verandert met de leeftijd: eerst zorg van ouders, daarna spelen met peers, later vriendschappen en uiteindelijk hechte “chumships”. Zulke vriendschappen helpen bij emotionele steun, sociale vaardigheden en latere romantische relaties. |
Oxytocine | Hormoon wat bevalling, borstvoeding en het ontstaan van warme, zorgende gevoelens ondersteunt |
Gesynchroniseerde routines | Beurtwisseling, oogcontact en vocalisaties met ouders en baby |
Doelgecorrigeerd partnerschap (Vanaf 3 jaar) | kinderen begrijpen beter de bedoelingen en plannen van verzorgers en stemmen hun gedrag daarop af, wat leidt tot meer wederzijds begrip en samenwerking. |
Alloparenting | Meerdere verzorgers die betrokken zijn bij de opvoeding |
Family stress model | ![]() |
Interactionele model | Dit model kijkt naar de combinatie van ouder- en kindkenmerken. Het gaat om hoe bepaalde eigenschappen samen effect hebben op ontwikkeling |
Transactionele model | Dit is het meest dynamische model: ouders en kinderen beïnvloeden elkaar voordurend over tijd. Beide passen zich aan elkaar aan, wat relaties positief of negatief kan laten verlopen |
Child maltreatment | Verzamelterm voor zowel misbruik als het niet voorzien in basisbehoeften van een kind |
Ouderlijke vervreemding (Parental alienation) | Een kind wordt door een ouder beïnvloed om de andere ouder af te wijzen, vaak tijdens vechtscheidingen |
Sociometrische populariteit | Over hoe geliefd iemand is bij leeftijdsgenoten |
Perceived popularity | Gaat over status, invloed en zichtbaarheid binnen de groep |
Verband met Inflammatie markers (GRP) en pesten | Pesten kan effect hebben op stofjes (Inflammatie markers) in het bloed die een verhoogde kans geven op infecties |
pesten op de werkvloer | ![]() |
Homogamy (Homogamie) | De neiging om een partner te kiezen die op jezelf lijkt |
inspanningsgerichte controle | Het vermogen zich te concentreren bij baby's en de aandacht te verleggen wanneer zij dat willen, reacties te onderdrukken en activiteiten met een lage intensiteit, zoals op schoot zitten bij de ouders, op prijs te stellen |
triat theorists | Amerikanen zien hun persoonlijkheid vaak als stabiel over verschillende situaties |
Rouge test (spiegeltest) | Is een test of het kind zelfherkenning heeft. rond de 18 maanden slagen kinderen voor de test |
Categorisch zelf (18-24 maanden) | Er ontstaat een besef van een uniek fysiek en categorisch zelf bij het kind |
Identiteitsspreiding (diffusion status) | Het individu heeft nog niet nagedacht over de identiteit of is er nog niet uit, het interesseert hem niet echt |
Moratoriumstatus | Het individu ervaart een identiteitscrisis en is op zoek naar antwoorden |
Vroegtijdig afsluiten (foreclosure status) | De persoon lijkt te weten wie hij is en heeft niet te veel nagedacht over zijn identiteit |
Identiteits (identity achievement status) | Het individu heeft de indentiteitscrisis doorstaan en ervaart betrokkenheid bij specifieke doelen, overtuigingen en waarden. |
De sterke conceptualisatie van de midlifecrisis | stelt dat deze crisis normatief is. Ze wordt gezien als een unieke overgangsfase, anders dan andere overgangen, waarbij mensen emotioneel worstelen met het besef van hun eigen beperkingen en het niet bereiken van persoonlijke doelen. |
De gematigde conceptualisatie van de midlifecrisis | Beschouwt de midlife als een overgang die weliswaar gebruikelijk is voor deze levensfase, maar niet wezenlijk verschilt van andere psychologische aanpassingen, zoals de overgang naar volwassenheid. |
Objectieve criteria (Rowe & Kahn) | Stelt dat succesvol ouder worden wordt bepaald door:
1. Afwezigheid van ziekte en beperkingen.
2. Goed cognitief en fysiek functioneren.
3. Een actieve betrokkenheid bij sociale relaties en activiteiten.
|
Psychologisch welzijn (Ryff): | Deze theorie stelt dat welzijn breder is dan alleen geluk en definieert 6 dimensies van zelfontplooiing: autonomie, persoonlijke groei, zelfacceptatie, een doel in het leven hebben, beheersing van de omgeving en positieve relaties met anderen. |
De activiteitstheorie | stelt dat ouderen het meest tevreden zijn als ze actief blijven en verloren rollen (zoals werk) vervangen door nieuwe hobby's. |
De disengagement-theorie | Stelt dat een wederzijdse terugtrekking van het individu en de maatschappij een natuurlijk en bevredigend onderdeel is van ouder worden. |
Applied Bahavior Analysis (ABA) | Gewenst gedrag wordt bij mensen met autisme aangeleerd via beloning. Moderne varianten richten zich meer op natuurlijke interacties en het ontwikkelen van sociale vaardigheden, zoals gezamenlijke aandacht, imitatie en beurtwisseling. |
PCIT-ED aanpak voor depressie | Speciale aanpak voor jonge kinderen die zich richt op ouder-kind interactie. Ouders leren hierbij de emoties van het kind beter te begeleiden en positief gedrag te versterken |
Alzheimer | Wordt gekenmerkt door ophoping van amyloöide plaques (beschadigd hersenweefsel), neurofibrillaire tangles (beschadigde eiwitstructuren in neuronen) en geleidelijk afbraak van hersenweefsel |
Delier | Is een acute verwardheid |
Verschillende soorten dementie | ![]() |


