Untitled Studyset

Created by Jannik Schmitz

proximodistale principe
Kinderen leren eeerst hun schouderes en romp goed te gebruiken en later hun armen en hun handen en vingers dus van binnen naar buiten

1/24

TermDefinition
proximodistale principe
Kinderen leren eeerst hun schouderes en romp goed te gebruiken en later hun armen en hun handen en vingers dus van binnen naar buiten
cefalocaudale principe
Bij kinderen ontwikkelt zich eerst het hoofd en de bovenkant van het lichaam pas later dan de onderkant
Zone van proximale ontwikkeling (ZPO)
De ZPO is het verschil tussen wat een leerling zelfstandig kan doen en wat hij met hulp kan doen, de zone waar het leren plaatsvindt.
Scaffolding
De ondersteuning de de MWA biedt net als een steiger rond een gebouw als de leerling het alleen kan wordt de steiger afgebroken
reflexieve integratie
het proces waarbij baby's reflexen zoals de schrik of zoekreflex vanzelf integreren en vervangen worden door bewuste bewegingen naarmate het zenuwstelsel groeit
zuigreflex
baby's die een tepel of een speen in hun mond voelen beginnen sterk te zuigen
zoekreflex/rooting reflex
De hoofd draait naar een aanraking op de wang en de baby opent zijn mond, daardoor kan het baby moedermelk binnen krijgen
moro-reflex (schrikreflex)
Bij hard geluid of het gevoel te vallen gooit de baby zijn armpjes wijd open en strekt zijn benen en trekt ze daarna weer krampachtig naar zich toe
grijpreflex
een automatisch vastpakken als de baby iets in zijn hand of voet voelt
loop/stapreflex
Het baby zet afwisselend zijn beentjes uit als hij onder zijn oksels wordt gepakt en zijn voeten op de grond gezet worden
Sensomotorische ontwikkelingsstadia (0-2)
De wereld ontdekken via zintuigen en handelingen zoals kijken, aanraken, grijpen of zuigen
objectpermanentie
het besef dat iets blijft bestaan , ook als het uit het zicht is
Preoperationele ontwikkelingsstadia (2-7)
kan woorden en beelden gebruiken om dingen voor te stellen
egocentrisch
kan zich niet in het standbeeld van een ander verplaatsen
concreet operationele ontwikkelingsstadia (7-11)
Kan logisch nadenken over concrete dingen, hoeveelheid water blijft hetzelfde ook al wordt het in een hoger of dunner glas geschonken
formeel operationele ontwikkelingsstadia (12+)
Kan abstract en hypothetisch redeneren. Denkt na over morele, filosofische en politieke kwesties. Kan systematisch problemen oplossen.
Zuigelingenleeftijd (0-1,5)- vertrouwen vs. wantrouwen
De baby is volledig afhankelijk van zijn verzorgers - Is de wereld een veilige en betrouwbare plek? betrouwbaar reactie op de behoeften van de baby positieve uitkomst: vertrouwen negatief: wantrouwen
vroege kinderjaren(1,5-3) - autonomie vs. Schaamte en twijfel
Het kind leert lopen, praten en zelf dingen doen Ben ik een zelfstandig persoon? ruimte geven om dingen zelf te proberen/ bekritiseren van een kind bij ongelukjes positiev: autonomie/zelfstandig negatief: schaamte over zichzelf en twijfel aan zijn eigen kunnen
Speelleeftijd (3-5) - initiatief vs. Schuldgevoel
Het kind gaat de wereld verkennen, plannen maken en spelletjes initieren - Mag ik nieuwsgierig en ondernemend zijn? positief: Het kind leert een eigen wil te hebben negatief: Het kind ontwikkelt een schuldgevoel over zijn eigen behoeftes en acties
Schoolleeftijd (5-12) - vlijt vs. minderwaardigheid
Het kind leert vaardigheden lezen, rekenen en samenwerken op school - Ben ik competent en kan ik dingen goed doen? Positief: Door aanmoediging ontwikkelt het kind een gevoel van vlijt/ijver Negatief: een gevoel van minderwaardigheid door weinig ondersteuning en kritiek/ falen
Adolescentie (12-18) identiteit vs. rolverwarring
De zoek naar zichzelf - Wie ben ik?/ Wat zijn mijn waarden en wat wil ik woorden? positief: experimenteren met kledingstijl, hobby's ontwikkelt zich een coherente identiteit negatief: slaagt niet een stabiele identiteit te vormen en treedt een rolverwarring op weet niet wie hij is of waar hij hoort
Jongvolwassenheid (18-40) intimiteit vs isolatie
vormen van langdurige relaties - Kan ik een liefdevolle wederkerige relatie aangaan? Als het lukt om langdurige vriendschappen of partnerrelatie aan te gaan, ontwikkeling van intimiteit Mislukking kan leiden tot isolatie eenzaamheid en afstandelijkheid
volwassenheid (40-65) generativiteit vs. stagnatie
De volwassene kijkt naar hoe hij iets kan bijdragen aan de volgende generatie - Geef ik mijn kennis en ervaring door? P: Het zorgen voor kinderen, creatifs doen voor de toekomst N: Wie niet kan zorgen voor de volgende generatie blijft vastzitten
ouderdom (65+) integriteit vs. wanhoop
terugblik op zijn leven - had ik een goed en betekenisvol leven? P: Als men tevreden is ontstaat een gevoel van integriteit/voltooing - wijsheid N: Als men ontevreden is ontstaat een gevoel van wanhoop en angst voor de dood