Steen
Created by L
Degradatie van steen
Aantasting van natuursteen door fysische, chemische, mechanische of biologische processen.
| Term | Definition |
|---|---|
Degradatie van steen | Aantasting van natuursteen door fysische, chemische, mechanische of biologische processen. |
Interne parameters die de gevoeligheid van een steen bepalen | Mineralogie, poriestructuur, vormgeving, oriëntatie |
Degradatieprocessen | Mechanische processen, Fysische processen, Chemische processen, Biologische processen |
Hoofdtypes steendegradatie | Depositie, Barsten, Desintegratie, Transformatie, Biokolonisatie, Deformatie |
Patina | Natuurlijke of kunstmatige verkleuring van het oppervlak zonder dat de steen instabiel wordt.
Veroorzaakt door oxalaatvorming en/of ijzerrijke mineralen die naar het oppervlak migreren.
= transformatie, maar is eigenlijk meer een alteratie dan een degradatiefenomeen ![]() |
Oxidatie van interne ijzermineralen | Verkleuring door oxidatie van Fe rijke mineralen zoals pyriet in de steen.
= transformatie ![]() |
Pyriet (FeS₂) | IJzerdisulfide dat in marmer en andere stenen kan oxideren tot roestvlekken. ![]() |
Depositie | Afzetting van extern materiaal op het steenoppervlak, zoals roest of koperafzetting. |
Afzetting van geoxideerd metaal | Roodbruine of groenblauwe vlekken onder metalen elementen door corrosie.
= depositie ![]() |
Oxidatie van metallisch ijzer | Het volume van metallisch ijzer zet uit bij oxidatie (tot x7) waardoor de steen barst door volume toename.
Soms werd dit geanticipeerd: gat groter dan ijzer, waarna ruimte ingegoten met gesmolten lood
= barsten ![]() |
Efflorescentie | Kristallisatie van zouten aan het oppervlak = zichtbaar = niet schadelijk voor steen
Witte, poederachtige kristallen op het steenoppervlak.
= depositie ![]() |
Subflorescentie (cryptoflorescentie) | Kristallisatie van zouten onder het oppervlak = IN de steen /niet zichtbaar= wel schadelijk |
Barst | Een scheur die de steen in twee of meer
delen verdeelt, waarbij de delen nog bij elkaar
zijn (anders is het een lacune). |
Breuk | Barst die volledig door de steen loopt. ![]() |
Haarscheur | Zeer fijne barst (<0,1 mm). ![]() |
Craquelé | Netwerk van fijne barstjes aan het oppervlak. ![]() |
Stervormige barst | Barst die vanuit één centraal punt in meerdere richtingen uitloopt. ![]() |
Bouwfysische onstabiliteit | Barsten door zetting van het gebouw of instabiele ondergrond waarbij de barst doorheen de voeg van de muur loopt. Moet worden gemonitord.
= barsten ![]() |
Overbelasting | Barsten die zowel de voeg volgen als doorheen de steen gaan en afschilfering doordat de steen te veel gewicht moet dragen door een ontwerpfout of slechte kwaliteit van de steen.
= barsten ![]() |
Foutieve oriëntatie | Barsten doordat sedimentlagen verticaal geplaatst zijn in plaats van horizontaal.
= barsten |
Styloliet | Golvende of getande barsten parallel aan sedimentlagen, ontstaan tijdens geologische vorming door het oplossen van materiaal onder hoge druk. Typisch voor blauwe hardsteen.
= barsten ![]() |
Steek | Rechte, scherpe breuk die niet parallel loopt aan sedimentlagen, veroorzaakt door drukontlasting van steen dat onderhevig geweest is aan tektonische krachten.
= barsten ![]() |
Lacune | Ontbrekend deel van steen door verlies van materiaal.
= desintegratie ![]() |
Desintegratie | Het uiteenvallen van steen in zijn samenstellende delen door verschillende processen. ![]() |
Delaminatie | Loslaten van materiaal langs één vlak of laag.
= desintegratie |
Exfoliatie | Meervoudige delaminatie waarbij dunne laagjes loskomen zoals folia.
= desintegratie ![]() |
Afschilferen | Loslaten van kleine, dunne schubjes (<3 mm) van het oppervlak.
= desintegratie ![]() |
Blaarvorming (blistering) | Hemisferische blazen in de steen door spanningen tussen korst en bulksteen.
= desintegratie ![]() |
Verpoederen | Steen valt uiteen tot fijn poeder door verlies van bindmiddel of zout-/vorstschade.
= desintegratie ![]() |
Verpoederen wegens verkeerde mortel | Voegen lijken wat uit te steken door verlies van steen.
Historische, zachte mortels zijn vochtdoorlatend (zowel vloeibaar als dampvorm), maar Portland cement is niet vochtdoorlatend. Zouten kristalliseren daardoor aan de steen-voeg interface. Door volume uitzetting van de kristallen zal de zachtere steen barsten, gevolgd door verlies van materiaal.
= desintegratie ![]() |
Verkruimelen | Steen valt uiteen in grotere korrels of brokjes.
= desintegratie ![]() |
Verkrijten of krijten | Verpoederen van kalksteen tot zeer fijn krijtachtig poeder.
= desintegratie ![]() |
Afzanden | Verlies van zandkorrels bij zandsteen doordat het bindmiddel is verdwenen.
= desintegratie ![]() |
Versuikering | Loskomen van calcietkristallen door anisotrope uitzetting bij marmer
= desintegratie ![]() |
Vervorming | De vorm veraderd zonder materiaalverlies.
Thermische uitzetting: marmer bestaat uit calciet mineralen die een anisotrope uitzettingscoefficient hebben --> kristallen
krimpen bij afkoeling in andere dimensie dan bij uitzetting door opwarming --> vervorming
= deformatie ![]() |
Erosie | Afslijting van steen door wind, water, zand of mechanische belasting. Vorm van de steen wordt afgerond, gebeeldhouwde details gaan
verloren.
= desintegratie ![]() |
Differentiële erosie | Zachtere sedimentlagen en/of meer oplosbare componenten in de steen gaan snellere eroderen dan andere.
= desintegratie ![]() |
Alveolisatie | Honingraatstructuur door combinatie van wind, vocht en zoutkristallisatie.
= specifieke vorm van erosie = desintegratie ![]() |
Depositie | Materiaal wordt afgezet op het steenoppervlak zonder dat de steen chemisch veranderd. Het afgezette materiaal komt uit de muur/steen = endogeen of komt van buitenaf (atmosfeer/omgeving) = exogeen ![]() |
Incrustatie/ korstvorming | Gipskorst die donker kleurt door opname van roet en fijn stof.
= transformatie ![]() |
Drielagensysteem bij korstvorming | • Grote, discrete korrels zijn zand (kwarts)
• Daartussen zit kalk (het bindmiddel)
• De sferische vormen zijn coccolieten =
restanten van de dierlijke kalkbron (kenmerk sedimentsteen)
• 1 is bulklaag, de originele steen aan de binnenkant
• 2 omvat een transformatie naar een gipslaag
• 3 bevat de depositielaag, mix van endo en exogeen materiaal
Ca uit de steen wordt geloogd, omgezet naar gips door reactie met SO₂ uit de atmosfeer,
vermengd met (zwart) atmosferisch fijn stof
Dit resulteert in een zwarte gipskorst op de steen. ![]() |
Vochtvlekken | Donkere zones door vocht in de steen, vaak met tide lines.
= depositie ![]() |
Afzetting van fijn stof | Donkere zones door afzetting van atmosferisch stof, afhankelijk van regenafloop.
= depositie ![]() |
Turbulente stroom | Sterke waterafloop die stof wegspoelt → lichtere zones. |
Laminaire stroom | Zwakke waterafloop waardoor stof blijft liggen → donkere zones. |
Volgorde van kolonisatie | 1. eerst vormen micro-organismen een complexe bio-film van bacteriën, algen en/of
schimmels
2. Daarna gevolgd door mossen en korstmossen
3. Dit alles creëert een voedingsbodem voor hogere vegetatie |
Biofilm | Dunne laag micro-organismen (bacteriën, algen, schimmels) op steen. Kan soms de steen beschermen of aantasten. |
Algen | Groene, bruine of zwarte poederige laag op vochtige buitensteen. Enkel esthetische impact. ![]() |
Schimmels | Donzige vezelstructuren op vochtige interieurs. Wortels groeien in de steen en produceren soms zuren wat kan leiden tot schade. ![]() |
Korstmossen (lichen) | Twee micro-organismen die samenwerken en niet zonder elkaar kunnen overleven
= symbiose van schimmel en bacterie (of alg)
Meestal enkel een esthetische impact, maar kunnen ook een zure omgeving creeren. ![]() |
Mos | Kleine plantjes op vochtige horizontale vlakken. Zorgt meestal voor geen schade, maar kan bij dikkere mospakketten water vasthouden --> vorstschade. Kunnen ook een zure omgeving creëren en voedingsbodem worden voor hogere vegetatie. ![]() |
Levermos | Schubachtig plantje op vochtige steen ![]() |
Hogere vegetatie | Planten met wortels die in voegen groeien.
= de takken en wortels blijven eerder klein en zacht
= laag risico op schade / niet nodig om te verwijderen ![]() |
Houtachtige meerjarige planten, struiken en bomen | Wortels en takken worden tijdens de groei
steeds dikker en sterker en gaan mechanisch
druk uitoefenen --> steeds verwijderen ![]() |
Zelfhechtende klimplanten | Planten met hechtwortels (bv. klimop, wingerd).
Weinig risico voor stabiel en intact steen- en voegwerk, maar wel voor zachte en al aangetaste delen. Hechtwortelen groeien in de barstjes in de mortel en steen => barstjes worden groter => water penetratie en vorstschade |
Niet-zelfhechtende klimplanten | Planten die steun nodig hebben (bv. clematis, druif)
= veroorzaakt weinig tot geen schade, niet nodig om te verwijderen |
Hydrische dilatatie | Uitzetting door absorptie van vloeibaar water
--> capillaire werking van steen |
Hygrische dilatatie | Uitzetting door absorptie van waterdamp
--> steen is hygroscopisch |
Zoutkristallisatie | Proces waarbij zouten oplossen en opnieuw kristalliseren, wat druk veroorzaakt. |
Van waar komt zout in de steen? | - inherent in de steen aanwezig zijn
- uit de atmosfeer komen
- in de mortel aanwezig zijn
- uitwerpselen van de mens
- optrekkend grondwater |
Parameters die zoutverwering beïnvloeden | 1. De chemische samenstelling van het zout en zijn evenwichtsluchtvochtigheid;
2. De aanwezige zoutmengeling: een mix van zouten gedraagt zich anders dan 1 zout;
3. De poriën en andere fysische eigenschappen van de steen;
4. De temperatuur en vochtigheid van de steen zelf (denk aan condens)
5. De temperatuur en vochtigheid van de omgeving
6. De oriëntatie van de muur en het vlak van de steen (bv. West-gericht = meestal meer regen)
7. De luchtverplaatsing rond de steen, bepaalt verdampingssnelheid |
Evenwichtsluchtvochtigheid (ERH) | Luchtvochtigheid waarbij een zout overgaat van kristallijn naar opgelost of omgekeerd. |
Capillariteit | Opzuigende werking van poriën waardoor vocht en zouten migreren. |
Poriestructuur | Grootte, hoeveelheid en verbondenheid van poriën die transport van vocht en zouten bepalen. |
Mineralogie | Samenstelling van de steen die bepaalt hoe gevoelig ze is voor chemische aantasting. |
Zure regen | Regenwater met opgeloste SO₂/NOₓ dat calciet oplost en gipskorsten vormt.
Calciet (CaCO₃) in de kalksteen (en –mortel) wordt door water, zwaveldioxide en zuurstof getransformeerd in gips(korst) volgens :
2CaCO₃ + 2SO₂ + 4H₂O + O₂ ↔ 2CaSO₄.2H₂O + 2CO₂ |
Ferramenta | IJzeren bevestigingselementen in ramen en dorpels die kunnen roesten en barsten veroorzaken. |
Gietlood (loodvulling) | Lood dat rond ijzer werd gegoten om ruimte op te vullen |
Externe mechanische impact | Schade door mens of dier: krassen, boorgaten, inslagen, vandalisme.
= desintegratie ![]() |
Incisie | Ingekraste lijnen door menselijk handelen, bv. slijpen van messen. |
Perforatie door dieren | Gaten veroorzaakt door insecten of vogels (bv. graafwespen). |
Vorstschade | Schade door uitzetting van water dat in steen bevriest. |
Thermische uitzetting | Uitzetting door temperatuurstijging |
Deformatie | Vervorming van steen zonder materiaalverlies of chemische veranderingen, typisch bij dunne marmerplaten. |
Anisotrope uitzettingscoëfficiënt | Eigenschap waarbij materiaal in verschillende richtingen anders uitzet. |
Bulksteen | Het niet-aangetaste binnenste van de steen. |
Oriëntatie van de steen | Positie van steen in gebouw die blootstelling aan regen, wind en vervuiling bepaalt. |
Mineralogie van de steen | (chemische) samenstelling van de steen (bv. kalksteen is gevoeliger voor zure regen dan zandsteen) of zouten die reeds aanwezig zijn bij winning van de steen. |
Poriestructuur | Dit bepaalt de mate waarin er capillair transport van vocht en zouten IN de steen plaatsvinden;
Niet alleen de hoeveelheid en grootte van poriën speelt een rol, ook de mate waarin ze verbonden zijn. |
Vormgeving van de steen | Veel detaillering en een ruwe textuur geeft een groter contactoppervlak met de omgeving;
Een ruwe textuur houdt meer vuil en vocht vast. |
Binnenklimaat | Klimaat binnen gebouwen dat condens, schimmel en zoutproblemen kan veroorzaken. |
Buitenklimaat | Externe omgevingsfactoren zoals regen, wind, vervuiling en temperatuur. |
Sedimentlagen | Geologische lagen in sedimentsteen die de sterkte en oriëntatie bepalen. |
Tektonische krachten | Geologische druk die interne spanningen en latere breuken (steken) veroorzaakt. |
Oxalaatkorst | Korst gevormd door reactie van oxaalzuur met metaalionen in steen. |
Goethiet (FeOOH) | Geel ijzeroxide dat patina een okerkleur geeft. |
Hematiet (Fe₂O₃) | Rood ijzeroxide dat patina een roestkleur geeft. |
Glauconiet | Fe rijk kleimineraal in zandsteen dat patina vorming bevordert. |
Mechanische erosie | Afslijting door schurende werking van zand, wind of reiniging. |
Watererosie | Afslijting door langdurige waterafloop. |
Windbelasting | Mechanische belasting door wind die erosie kan versnellen. |
Fijn stof | Kleine deeltjes uit verkeer en industrie die verkleuring en korstvorming veroorzaken. |
Polluenten | Vervuilende stoffen zoals SO₂ en NOₓ die chemische degradatie veroorzaken. |
Vegetatie schade | Mechanische schade door wortelgroei in voegen en barsten. |
Condensatie | Waterdamp die neerslaat op koude steenoppervlakken, bevordert biologische groei. |
Koudebrug | Zone waar warmte ontsnapt, veroorzaakt condens en vochtproblemen. |
Groeveoriëntatie | Markering van steenblokken om correcte plaatsing volgens sedimentlagen te garanderen. |









































