schilderijen

Created by L

Paneeldrager
houten ondergrond waarop een schilderij is opgebouwd, bestaande uit planken die gevoelig zijn voor zwel en krimpbewegingen.

1/98

TermDefinition
Paneeldrager
houten ondergrond waarop een schilderij is opgebouwd, bestaande uit planken die gevoelig zijn voor zwel en krimpbewegingen.
Lijst
omlijsting rond het paneel, vaak mee gepolychromeerd en integraal deel van het kunstwerk.
Lijmlaag / isolatielaag
dunne laag dierlijke lijm die het hout afsluit en de absorptie van de grondlaag beperkt.
Grondlaag
krijt of gessolaag die een egaal, absorberend oppervlak vormt voor de verf.
Ondertekening
voorbereidende schets op de grondlaag die de compositie vastlegt.
Picturale laag
eigenlijke verflaag waarin de voorstelling wordt uitgewerkt.
Polychromie van de lijst
beschildering of vergulding op de omlijsting van het paneel.
Vernis
transparante beschermlaag die glans geeft en de verflaag afsluit.
Deuvel
houten pen die panelen mechanisch met elkaar verbindt.
Zwaluwstaart
wigvormige verbinding die panelen stabiliseert en verschuiven tegengaat.
Organisch materiaal
materiaal afkomstig van levende organismen, zoals hout of textiel, gevoelig voor vocht en degradatie.
Anisotropie
eigenschap waarbij materiaal verschillend reageert afhankelijk van de richting (radiaal, tangentiaal, longitudinaal).
Hygroscopiciteit
vermogen van materiaal om waterdamp op te nemen en af te geven, met dimensionele veranderingen tot gevolg.
Kopshout
zaagvlak loodrecht op de stam, toont jaarringen en is zeer gevoelig voor vochtopname.
Radiaal vlak
zaagsnede door de lengteas van de stam, relatief stabiel bij krimp en zwel.
Tangentiaal vlak
zaagsnede evenwijdig aan de jaarringen, vertoont de grootste vervorming.
Krimp en zwelgedrag
dimensionele veranderingen van hout door vochtfluctuaties.
Elastische vervorming
tijdelijke vervorming die verdwijnt wanneer de vochtbalans herstelt.
Plastische vervorming
blijvende vervorming door langdurige stress of blokkering van beweging.
Koudvergaring
eenvoudige vlakke verlijming van panelen zonder extra verbindingen.
Bastaardpen
verbinding waarbij een pen in een ondiepe uitsparing wordt geplaatst voor extra stabiliteit.
Messing en groefverbinding
verbinding waarbij een uitstekende rand in een groef schuift om panelen te verbinden.
Halfhoutse verbinding
verbinding waarbij twee delen half worden uitgefreesd zodat ze in elkaar passen.
Visbekverbinding
schuine verbinding die de lijmoppervlakte vergroot en verschuiven beperkt.
Parket (oude restauratie)
systeem van vaste en schuivende latten om panelen te stabiliseren, nu achterhaald.
Rekeinden / keerlatten
verstevigingslatten op Italiaanse panelen om kromtrekken tegen te gaan.
Gildemerk
brand of ponsmerk dat de herkomst van het paneel aangeeft.
Afschuining
aflopende rand aan de achterzijde van panelen, handmatig of machinaal aangebracht.
Populierenhout
veelgebruikte Italiaanse drager, zacht en gevoelig voor vervorming.
Naaldhoutdrager
dikke, vaak zware panelen uit Duitse regio’s, met grote celholten.
Plaatmateriaal
moderne dragers zoals MDF of multiplex, niet oorspronkelijk bedoeld voor schilderkunst.
Insectenvraat in plaatmateriaal
aantasting door houtborende insecten in moderne dragers.
Koperen drager
metalen plaat gebruikt tussen 1550–1650, geliefd om gladheid en detailmogelijkheden.
Koperoleaat
groene corrosielaag gevormd door reactie tussen olie en koper, bevordert hechting.
Direct schilderen op koper
techniek waarbij de metaalglans zichtbaar blijft in transparante passages.
Kopercorrosie
oxidatie van koper, vooral aan de achterzijde waar geen verflaag beschermt.
Vervorming van dunne koperplaten
door mechanische druk of temperatuurverschillen.
Tin als drager
zeldzame 17e 18e eeuwse drager, gevoelig voor vervormen.
Zinken drager
19e eeuwse drager, gevoelig voor contactcorrosie met loodwit.
Contactcorrosie
versnelde corrosie wanneer twee metalen met verschillende potentiaal elkaar raken.
ZnO vorming
wit oxidatieproduct dat verf en bladgoud kan opdrukken.
Doekdrager
textiel drager, meestal linnen, later ook katoen of synthetisch.
Tüchlein
vroegste schilderijen op doek, tempera op gelijmd linnen zonder vernis.
Linnenvezel
cellulosevezel uit vlas, sterk en geschikt voor schilderijen.
Roten
proces waarbij pectine wordt afgebroken om vlasvezels vrij te maken.
Effenbinding
1/1 weefsel met gelijkmatige krimp in beide richtingen.
Keperbinding
2/1 weefsel met schuine rib, ongelijkmatige krimp en minder stabiliteit.
Katoen
kortere cellulosevezel, sinds 19e eeuw gebruikt als drager.
Synthetische vezels
moderne dragers zoals nylon, gevoelig voor warmte en veroudering.
Fotochemische degradatie van textiel
oxidatie door licht, leidt tot verzwakking en verkleuring.
Doorhangen van doek
verlies van spanning door veroudering van vezels en gewicht van de verflaag.
Vuilophoping achterzijde
stof en roet die zich ophopen en vocht vasthouden.
Schimmelvorming op doek
veroorzaakt door hoge RV en organisch materiaal.
Ondulaties
golvingen in het doek door spanningsverlies of vocht.
Rijgraam
vroeg hulpmiddel om doeken te spannen tijdens grondering.
Spanraam
houten raam waarop doek wordt gespannen, niet verstelbaar.
Spieraam
verstelbaar raam met sleutels om spanning te regelen (vanaf 19e eeuw).
Craquelure
netwerk van barsten in verf en grondlaag door veroudering of beweging van de drager.
Jeugdbarst
barst die ontstaat kort na het schilderen door droogsels of verkeerde lagenopbouw.
Ouderdomsbarst
diepe barst door veroudering van bindmiddel en dragerbeweging.
Spinnenwebcraquelé
cirkelvormige barsten door puntbelasting.
Bindmiddel
stof die pigmentdeeltjes bindt tot een verf (ei, olie, hars, acryl…).
Caseïneverf
verf op basis van melkproteïne, hard en alkalisch.
Tempera
verf op basis van ei, snel drogend en zeer duurzaam.
Lijnolie
drogende olie uit vlaszaad, belangrijkste bindmiddel in olieverf.
Onverzadigde vetzuren
chemische componenten die oxidatie en droging van olie mogelijk maken.
Wassen van olie
zuiveringsproces om slijmstoffen en onzuiverheden te verwijderen.
Kleefvrije droging
eerste fase waarin de verf niet meer plakt maar nog niet uitgehard is.
Doordrogen
langzame oxidatie waarbij de verflaag verder uithardt.
Harddroging
finale fase waarin krimp en craquelure kunnen ontstaan.
Papaverolie
langzaam drogende olie, minder vergeling, gebruikt voor lichte kleuren.
Notenolie
duur bindmiddel, helder en minder vergelend dan lijnolie.
Glacistechniek
transparante lagen over dekkende onderlagen voor diepe kleurwerking.
Brokaatvellen
decoratieve reliëfbladen als snel alternatief voor complexe glacis.
Alkydverf
synthetische verf op basis van gemodificeerde polyesterharsen, snel drogend maar vergelend.
Acrylverf
waterverdunbare verf op basis van acrylpolymeren, snel drogend en gevoelig voor vuil.
Surfactanten
oppervlakte actieve stoffen in acrylverf die kunnen migreren en plakkerigheid veroorzaken.
Glastemperatuur
temperatuur waarbij acrylverf zacht wordt en vuil aantrekt.
Speldengaatjes
kleine kraters in acrylverf door schuimvorming tijdens het schilderen.
Blindslag
melkwitte waas in vernis door vochtinslag.
Olievernis
vernis op basis van drogende olie, sterk vergelend en onoplosbaar na veroudering.
Harsvernis
vernis op basis van natuurlijke harsen zoals mastix of damar.
Tinuvin
UV stabilisator toegevoegd aan moderne vernissen om vergeling te vertragen.
Pigmentdegradatie
chemische verandering van pigmenten door licht, vocht of gassen.
Zwavelhoudende gassen
SO₂ en H₂S die lood en koperpigmenten doen verdonkeren.
Ultramarijnziekte
grijsblauwe verkleuring door vocht en zure gassen.
Asfaltpigment
bitumineus pigment dat slecht droogt en extreme craquelure veroorzaakt.
Thermoplastisch gedrag van asfalt
verzachten bij warmte, risico bij behandelingen.
Cinnaber
natuurlijk kwiksulfide, rood pigment dat kan verdonkeren.
Vermiljoen
synthetisch kwiksulfide, gevoelig voor omzetting naar zwart kwiksulfide.
Chloor induced darkening
verdonkering van vermiljoen door licht en chloriden.
Rode lakken
organische kleurstoffen op een anorganische drager, zeer lichtgevoelig.
Palmeriete
kaliumloodsulfaat, degradatieproduct in rode lakken.
Anglesiet
lood(II)sulfaat, wit degradatieproduct.
Lanarkiet
lood(II)sulfiet, grijs degradatieproduct.
Smalt
kobaltblauw glasachtig pigment dat verkleurt door uitloging van kalium.
Kaliumuitloging
verlies van K⁺ ionen uit smalt waardoor de blauwe kleur verdwijnt.
Crepering
microbarstjes door zwelling van pigmentdeeltjes in vochtige omstandigheden.