schilderijen
Created by L
Paneeldrager
houten ondergrond waarop een schilderij is opgebouwd, bestaande uit planken die gevoelig zijn voor zwel en krimpbewegingen.
| Term | Definition |
|---|---|
Paneeldrager | houten ondergrond waarop een schilderij is opgebouwd, bestaande uit planken die gevoelig zijn voor zwel en krimpbewegingen. |
Lijst | omlijsting rond het paneel, vaak mee gepolychromeerd en integraal deel van het kunstwerk. |
Lijmlaag / isolatielaag | dunne laag dierlijke lijm die het hout afsluit en de absorptie van de grondlaag beperkt. |
Grondlaag | krijt of gessolaag die een egaal, absorberend oppervlak vormt voor de verf. |
Ondertekening | voorbereidende schets op de grondlaag die de compositie vastlegt. |
Picturale laag | eigenlijke verflaag waarin de voorstelling wordt uitgewerkt. |
Polychromie van de lijst | beschildering of vergulding op de omlijsting van het paneel. |
Vernis | transparante beschermlaag die glans geeft en de verflaag afsluit. |
Deuvel | houten pen die panelen mechanisch met elkaar verbindt. |
Zwaluwstaart | wigvormige verbinding die panelen stabiliseert en verschuiven tegengaat. |
Organisch materiaal | materiaal afkomstig van levende organismen, zoals hout of textiel, gevoelig voor vocht en degradatie. |
Anisotropie | eigenschap waarbij materiaal verschillend reageert afhankelijk van de richting (radiaal, tangentiaal, longitudinaal). |
Hygroscopiciteit | vermogen van materiaal om waterdamp op te nemen en af te geven, met dimensionele veranderingen tot gevolg. |
Kopshout | zaagvlak loodrecht op de stam, toont jaarringen en is zeer gevoelig voor vochtopname. |
Radiaal vlak | zaagsnede door de lengteas van de stam, relatief stabiel bij krimp en zwel. |
Tangentiaal vlak | zaagsnede evenwijdig aan de jaarringen, vertoont de grootste vervorming. |
Krimp en zwelgedrag | dimensionele veranderingen van hout door vochtfluctuaties. |
Elastische vervorming | tijdelijke vervorming die verdwijnt wanneer de vochtbalans herstelt. |
Plastische vervorming | blijvende vervorming door langdurige stress of blokkering van beweging. |
Koudvergaring | eenvoudige vlakke verlijming van panelen zonder extra verbindingen. |
Bastaardpen | verbinding waarbij een pen in een ondiepe uitsparing wordt geplaatst voor extra stabiliteit. |
Messing en groefverbinding | verbinding waarbij een uitstekende rand in een groef schuift om panelen te verbinden. |
Halfhoutse verbinding | verbinding waarbij twee delen half worden uitgefreesd zodat ze in elkaar passen. |
Visbekverbinding | schuine verbinding die de lijmoppervlakte vergroot en verschuiven beperkt. |
Parket (oude restauratie) | systeem van vaste en schuivende latten om panelen te stabiliseren, nu achterhaald. |
Rekeinden / keerlatten | verstevigingslatten op Italiaanse panelen om kromtrekken tegen te gaan. |
Gildemerk | brand of ponsmerk dat de herkomst van het paneel aangeeft. |
Afschuining | aflopende rand aan de achterzijde van panelen, handmatig of machinaal aangebracht. |
Populierenhout | veelgebruikte Italiaanse drager, zacht en gevoelig voor vervorming. |
Naaldhoutdrager | dikke, vaak zware panelen uit Duitse regio’s, met grote celholten. |
Plaatmateriaal | moderne dragers zoals MDF of multiplex, niet oorspronkelijk bedoeld voor schilderkunst. |
Insectenvraat in plaatmateriaal | aantasting door houtborende insecten in moderne dragers. |
Koperen drager | metalen plaat gebruikt tussen 1550–1650, geliefd om gladheid en detailmogelijkheden. |
Koperoleaat | groene corrosielaag gevormd door reactie tussen olie en koper, bevordert hechting. |
Direct schilderen op koper | techniek waarbij de metaalglans zichtbaar blijft in transparante passages. |
Kopercorrosie | oxidatie van koper, vooral aan de achterzijde waar geen verflaag beschermt. |
Vervorming van dunne koperplaten | door mechanische druk of temperatuurverschillen. |
Tin als drager | zeldzame 17e 18e eeuwse drager, gevoelig voor vervormen. |
Zinken drager | 19e eeuwse drager, gevoelig voor contactcorrosie met loodwit. |
Contactcorrosie | versnelde corrosie wanneer twee metalen met verschillende potentiaal elkaar raken. |
ZnO vorming | wit oxidatieproduct dat verf en bladgoud kan opdrukken. |
Doekdrager | textiel drager, meestal linnen, later ook katoen of synthetisch. |
Tüchlein | vroegste schilderijen op doek, tempera op gelijmd linnen zonder vernis. |
Linnenvezel | cellulosevezel uit vlas, sterk en geschikt voor schilderijen. |
Roten | proces waarbij pectine wordt afgebroken om vlasvezels vrij te maken. |
Effenbinding | 1/1 weefsel met gelijkmatige krimp in beide richtingen. |
Keperbinding | 2/1 weefsel met schuine rib, ongelijkmatige krimp en minder stabiliteit. |
Katoen | kortere cellulosevezel, sinds 19e eeuw gebruikt als drager. |
Synthetische vezels | moderne dragers zoals nylon, gevoelig voor warmte en veroudering. |
Fotochemische degradatie van textiel | oxidatie door licht, leidt tot verzwakking en verkleuring. |
Doorhangen van doek | verlies van spanning door veroudering van vezels en gewicht van de verflaag. |
Vuilophoping achterzijde | stof en roet die zich ophopen en vocht vasthouden. |
Schimmelvorming op doek | veroorzaakt door hoge RV en organisch materiaal. |
Ondulaties | golvingen in het doek door spanningsverlies of vocht. |
Rijgraam | vroeg hulpmiddel om doeken te spannen tijdens grondering. |
Spanraam | houten raam waarop doek wordt gespannen, niet verstelbaar. |
Spieraam | verstelbaar raam met sleutels om spanning te regelen (vanaf 19e eeuw). |
Craquelure | netwerk van barsten in verf en grondlaag door veroudering of beweging van de drager. |
Jeugdbarst | barst die ontstaat kort na het schilderen door droogsels of verkeerde lagenopbouw. |
Ouderdomsbarst | diepe barst door veroudering van bindmiddel en dragerbeweging. |
Spinnenwebcraquelé | cirkelvormige barsten door puntbelasting. |
Bindmiddel | stof die pigmentdeeltjes bindt tot een verf (ei, olie, hars, acryl…). |
Caseïneverf | verf op basis van melkproteïne, hard en alkalisch. |
Tempera | verf op basis van ei, snel drogend en zeer duurzaam. |
Lijnolie | drogende olie uit vlaszaad, belangrijkste bindmiddel in olieverf. |
Onverzadigde vetzuren | chemische componenten die oxidatie en droging van olie mogelijk maken. |
Wassen van olie | zuiveringsproces om slijmstoffen en onzuiverheden te verwijderen. |
Kleefvrije droging | eerste fase waarin de verf niet meer plakt maar nog niet uitgehard is. |
Doordrogen | langzame oxidatie waarbij de verflaag verder uithardt. |
Harddroging | finale fase waarin krimp en craquelure kunnen ontstaan. |
Papaverolie | langzaam drogende olie, minder vergeling, gebruikt voor lichte kleuren. |
Notenolie | duur bindmiddel, helder en minder vergelend dan lijnolie. |
Glacistechniek | transparante lagen over dekkende onderlagen voor diepe kleurwerking. |
Brokaatvellen | decoratieve reliëfbladen als snel alternatief voor complexe glacis. |
Alkydverf | synthetische verf op basis van gemodificeerde polyesterharsen, snel drogend maar vergelend. |
Acrylverf | waterverdunbare verf op basis van acrylpolymeren, snel drogend en gevoelig voor vuil. |
Surfactanten | oppervlakte actieve stoffen in acrylverf die kunnen migreren en plakkerigheid veroorzaken. |
Glastemperatuur | temperatuur waarbij acrylverf zacht wordt en vuil aantrekt. |
Speldengaatjes | kleine kraters in acrylverf door schuimvorming tijdens het schilderen. |
Blindslag | melkwitte waas in vernis door vochtinslag. |
Olievernis | vernis op basis van drogende olie, sterk vergelend en onoplosbaar na veroudering. |
Harsvernis | vernis op basis van natuurlijke harsen zoals mastix of damar. |
Tinuvin | UV stabilisator toegevoegd aan moderne vernissen om vergeling te vertragen. |
Pigmentdegradatie | chemische verandering van pigmenten door licht, vocht of gassen. |
Zwavelhoudende gassen | SO₂ en H₂S die lood en koperpigmenten doen verdonkeren. |
Ultramarijnziekte | grijsblauwe verkleuring door vocht en zure gassen. |
Asfaltpigment | bitumineus pigment dat slecht droogt en extreme craquelure veroorzaakt. |
Thermoplastisch gedrag van asfalt | verzachten bij warmte, risico bij behandelingen. |
Cinnaber | natuurlijk kwiksulfide, rood pigment dat kan verdonkeren. |
Vermiljoen | synthetisch kwiksulfide, gevoelig voor omzetting naar zwart kwiksulfide. |
Chloor induced darkening | verdonkering van vermiljoen door licht en chloriden. |
Rode lakken | organische kleurstoffen op een anorganische drager, zeer lichtgevoelig. |
Palmeriete | kaliumloodsulfaat, degradatieproduct in rode lakken. |
Anglesiet | lood(II)sulfaat, wit degradatieproduct. |
Lanarkiet | lood(II)sulfiet, grijs degradatieproduct. |
Smalt | kobaltblauw glasachtig pigment dat verkleurt door uitloging van kalium. |
Kaliumuitloging | verlies van K⁺ ionen uit smalt waardoor de blauwe kleur verdwijnt. |
Crepering | microbarstjes door zwelling van pigmentdeeltjes in vochtige omstandigheden. |