Ontwikkelingsleer week 3
Created by Stijn Wetzels
De terman-studie
Ontkrachte het stereotype dat hoogbegaafde kinderen zwakke, ziekelijke kinderen zijn die sociaal onhandig en emotioneel onvolwassen zijn
| Term | Definition |
|---|---|
De terman-studie | Ontkrachte het stereotype dat hoogbegaafde kinderen zwakke, ziekelijke kinderen zijn die sociaal onhandig en emotioneel onvolwassen zijn |
Triadisch interdependentiemodel | Zegt dat hoogbegaafd afhangt van 1. een hoge intelligentie, 2. een sterk creatief denkvermogen, 3. voldoende motivatie |
Taalcompetentie | De kennis die we hebben over taal, zoals grammaticale regels |
Taalprestatie | Hoe we onze taalcompetentie gebruiken. Hierbij gaat het over het communiceren zelf. Dit is waar we als psychologen in geïnteresseerd zijn. |
Taal ontwikkeling | 1. Vegetatieve geluiden (0-6 weken): de eerste geluiden die een baby maakt, vaak gerelateerd aan biologische functies. 2. Koeren/cooing (6 weken): een vroege vorm van spraakontwikkeling waarbij baby's zachte, klinkerklanken maken, zoals "oeh", "ahh" of "ooh". 3. Lachen (16 weken) 4. Vocaal spel (16 weken tot 6 maanden): het begin van ‘echte’ taal; baby’s gaan fonemen produceren. 5. Brabbelen (6 tot 10 maanden): het combineren van klinkers en medeklinkers. 6. Eerste woorden (10-18 maanden): het eerste woord wordt meestal rond de eerste verjaardag uitgesproken. 7. Twee-woord-fase (18 maanden): Op dit punt hebben kinderen vaak een actieve woordenschat van ongeveer 50 woorden Dit gaat vaak gepaard met een woordenschat-explosie en het vermogen tot fast mapping, waarbij ze heel snel nieuwe namen aan objecten koppelen 8. Telegrafische spraak (2 jaar): Kinderen beginnen korte zinnen te vormen die alleen de meest noodzakelijke woorden bevatten. 9. Volledige zinnen |
Universele gramatica | Een reeks beperkte regels en principes waarmee we via de juiste parameterinstelling een onperkt aantal nieuwe uitingen kunnen generen volgens het rationalisme. Recursiviteit= de eindeloze combinatie aan woorden |
Bioprogram hypothesis | Mensen beschikken over een aangeboren, genetisch bepaald taalvermogen dat een ‘skeletmodel’ van de grammatica vormt. |
Pidgin taal | Primitieve taal die het mogelijk maakt voor twee volkoren om te communiceren |
FOX2-gen | Als hier wat mis in gaat zijn er metteen problemen met taal |
Statistische leerbenadering | Stelt dat taal wordt geleerd door het ontdekken van patronen in de taalinput.
Statistische regelmatigheden: Terugkerende patronen in taal op basis van frequentie en kans, zoals welke woorden vaak samen voorkomen.
Distributionele informatie: Informatie over betekenis uit de context waarin woorden voorkomen. |
Woordsegmentatie | Vanaf 8 maanden kunnen baby's overgangswaarschijnlijkheden tussen klanken berekenen en dus weten waar een woorden begint/eindigt |
Fonemen | De basiseenheden van geluid die de betekenis van een woord kunnen veranderen |
Morfemen | De basiseenheden van betekenis in een woord |
pragmatiek | Betreft de regels voor hoe taal gepast wordt gebruikt in verschillende sociale contexten |
Prosodie | Melodie van spraak, bestaande uit: 1. Toonhoogte of intonatie, 2. klemtoon en 3. Duur en timing |
Fonotactiek | Bepaalde klankcombinaties komen niet aan het begin van woorden voor |
Mapingprobleem | Er is niets in het woord zelf of in het geluid van een woord wat iets zegt over de betekenis van het woord, Leidt tot over generalisatie of onder generalisatie van het woord |
Linguistic Entrenchment | De hersenen raken gewend aan de moedertaal, wat het leren van een nieuwe taal moeilijker maakt. |
Less is More (Newport): | Kinderen hebben een kleinere geheugencapaciteit en aandacht spanne, waardoor ze minder input krijgen. Hierdoor pakken zij de basisstructuur van een taal sneller |
De Twee-factorentheorie | Stelt dat intelligentie bestaat uit: Algemeen mentaal vermogen (g) en specifieke vaardigheden (S) |
Vloeibare en gekristalliseerde intelligentie (Catell &Horn) | Fluïde intelligentie: Het vermogen om de geest actief te gebruiken om nieuwe problemen op te lossen zonder voorafgaande kennis. Deze vaardigheden worden niet aangeleerd, dit wordt gezien als het ruwe informatie-verwerkingsvermogen.
Gekristalliseerde intelligentie: Het gebruik van kennis die is verworven door scholing en levenservaring. |
De Cattell-Horn-Carroll (CHC) Theorie | in dit moderne hiërarchische model wordt intelligentie op drie niveaus bekeken:
1. Algemeen: Een algemene factor (vergelijkbaar met Spearman’s g).
2. Breed: Enkele brede dimensies, zoals vloeibare (fluïde) intelligentie en geheugencapaciteit.
3. Smal: Veel specifieke vaardigheden die gemeten kunnen worden met testen, zoals numeriek redeneren |
Sternberg’s Theorie van Succesvolle Intelligentie | Stelt dat Intelligentie niet alleen bestaat om goede antwoorden, maar ook hoe je tot die antwoorden komt en hoe efficiënt je dat doet. Bestaat uit: Praktische intelligentie, Creativiteit intelligentie en Analytische intelligentie. |
Convergent denken | Gericht zoeken naar het een beste antwoord op een probleem. Traditionele IQ-tests meten dit |
Divergent denken | Het denken van een verscheidenheid aan ideeën of oplossingen. Hiervan is sprake van creativiteit |
Psychometrische benadering: | Benadering die stelt dat we creativiteit kunnen meten net zoals IQ doormiddel van: Originaliteit: Hoe uniek zijn de gegenereerde ideeën?
Flexibiliteit: Hoeveel verschillende categorieën worden er gebruikt?
Ideationele vloeiendheid: Het totale aantal verschillende ideeën dat iemand kan genereren. |
Sternberg's Investment Theory
| Stelt dat creativiteit ontstaat door samenloop van: Intellectuele vaardigheden, kennis, denkstijl, persoonlijkheid, motivatie en omgeving |
HOME-inventaris (Home Observation for Measurement of the Environment)
| Wordt gebruikt om de intellectuele stimulatie thuis te meten |
Arcuate fasciculus | Een band van vezels die Wernicke's en broca's area verbindt |
Taalverwervingsmechanisme (Language Acquisition Device; LAD) | Een theoretische, aangeboren hersenfunctie die taal filtert, universele regels toepast en het systeem aanpast aan de specifieke taal in de omgeving |
Syntactic bootstrapping | Kinderen gebruiken de plaats van een woord in de zin (syntax) om de betekenis ervan te achterhalen. |
Holophrases | Enkel woord dat de betekenis van een volledige zin overdraagt |
Vocabulary spurt | Rond 18 maanden, nadat een kind ongeveer 30 tot 50 woorden beheerst vindt er een enorme versnelling plaatst van de woordenschat. Dit kom door fast mapping (na woord een x te horen kan het globaal gekoppeld worden aan een object) |
Transformationele grammatica (Chomsky) | Onderliggende zinnen worden omgezet in verschillende zinsstructuren volgens regels |
Abecedarian project | Voltijds educatief programma vanaf de babytijd to de leeftijd van 5 jaar voor kinderen uit gezinnen met lage inkomens |
Milwaukee Project | Interventie die voltijdse kinderopvang Combineerde met academische training voor moeders |
Germinale fase | Van week 0-2 |
Embryonale fase | Van week 3-8
|
Foetale fase | Van week 9-38
Vanaf 22-23 weken is de grens van levensvatbaar |
Fundamentele groeiprincipes | Tijdens de ontwikkeling gelden drie centrale principes
1. Cefalocaudaal: Groei van boven naar beneden
2. Proximodistaal: Groei van binnen naar buiten
3. Orthogenetisch: Ontwikkeling van ongediiferentieerd naar gedifferentieerd |
Softenon (thalidomide) | Teratogene stof voor misselijkheid bij zwangerschap die zorgde tot ontbrekende ledematen |
Proliferatie | Intense celgroei, door snelle celdeling vanuit stamcellen. |
Gyrificatie | Proces waarbij diepe plooien in de hersenen ontstaan. Te vroeg geboren baby's hebben minder uitgesproken hersenplooien |
Hersenatrofie | Krimpen van hersenweefsel |
Presbyacusis | Ouderdomsslechthorendheid door afname van haarcellen in het slakkenhuis wat leidt tot verlies van hoge frequenties |
Zicht ontwikkeling bij kinderen | 8 maanden: Fear bias, ontstaat er een hypersensitiviteit voor angstige gezichtsuitdrukkingen
9 maanden: kinderen worden minder gevoelig voor verschillen in gezichten van mensen van een andere etniciteit |
Diepteperceptie bij kinderen | 1 maand: Baby's knipperen met hun ogen als reactie op naderende objecten.
4 maanden: Grootte-consistentie. Het kind begrijpt dat een object dezelfde grootte behoudt, ongeacht de afstand tot het oog.
2-4 maanden: Diepteperceptie is aanwezig, maar het kind vertoont nog geen angst voor diepte.
6-7 maanden: Wanneer een kind leert kruipen, begint het angstig te reageren op diepte. |
Presbyopie | Proces bij ouderen waarbij de lens verkleurt, opzwelt en elasticiteit verliest |
De Hypofyse (Pituitary Gland) | Aangestuurd door de hypothalamus. Produceert groeihormoon dat direct de fysieke groei van cellen stimuleert en activeert andere klieren zoals de schildklier en geslachtsklieren |
De schildklier | Cruciaal voor fysieke groei en de ontwikkeling van het zenuwstelsel |
Bijnierhormonen | Dragen bij aan bot- en spierrijping |
Fontanellen | Openingen in de schedel bij zuigelingen |
Vaardigheden van zuigelingen | ![]() |
Adrenarche (6 tot 8 jaar) | De bijnieren verhogen de productie van bijnierandrogenen. Dit draagt bij aan de ontwikkeling van secundaire geslachtskenmerken |
Gronadale hormonen | De echte seksuele rijping ontstaat door een verhoogde productie van hormonen. Bij mannen: androgenen.
Bij vrouwen: oestrogeen en progesteron |
Menarche | De eerste menstruatie. Vind gemiddeld plaatst rond de 12,5 jaar |
Semenarche | Eerste ejaculatie. Vind gemiddeld plaatst rond het 13e jaar |
Angiogenese | Ontwikkeling van bloedvaten |
Andropauze | Geleidelijk proces bij oudere mannen dat als gevolg heeft: lagere libido, vermoeidheid, geheugenproblemen en verlies van schaamhaar |
Benigne prostaathyperplasie (BPH) | Vergroting van de prostaat wat kan voorkomen bij oudere mannen, leidt tot problemen met urineren |
menopauze (45-54) | Kan worden voorspeld door het anti-Müllerian hormoon, dat vanaf het 25e levensjaar langzaam afneemt.
Symptomen zijn: opvliegers en vaginale droogheid |
