Scheuren verlijmen bij papier

Created by L

Soorten lijm
natuurlijk - semisynthetisch - synthetisch
definition

1/15

TermDefinition
Soorten lijm
natuurlijk - semisynthetisch - synthetisch
definition image
Zetmeellijm algemeen
- natuurlijke plantaardige lijm, gebruikt vanaf de 20e eeuw in West Europa - zeer zuivere vorm van bloem. De proteïnen zijn uit de bloem gehaald. - Bestaat uit amylopectine en amylose. De verhouding waarin deze twee stoffen voorkomen bepalen de eigenschappen van de lijm.
Kenmerken van zetmeellijm
▪ Wit kristallijn poeder (kleine korrels die kunnen verschillen in grootte 0,001mm 0,15mm in diameter). ▪ De korrels zwellen in koud water, in warm water wordt een colloïdale dispersie gevormd (een mengeling van gezwollen korrels, deeltjes van gebarsten korrels en opgeloste korrels) ▪ De pH varieert tussen 4 en 7,5. De pH van vers gemaakt stijfsellijm wordt medebepaald door de pH van het gebruikte water. ▪ Een pH die hoger is de 7,5 verbetert de verspreiding van de korrels, vertraagt het neerslaan van de korrels, vergroot het risico op verkleuring na droging van de lijm.
Identificatie van zetmeellijm
▪ Amylose kleurt blauw met iodine ▪ Amylopectine kleurt rood/paars met iodine ▪ Tarwezetmeel kleurt blauw/zwart met iodine
Verouderingskenmerken zetmeellijmen
▪ Tarwezetmeellijm is een stabiele lijm er is nauwelijks verkleuring. ▪ Aardappelzetmeel heeft een hoger moleculairgewicht wat duidt op langere ketens. Deze zijn moeilijker klein te maken tijdens het koken. Aardappelzetmeellijm bestaat uit verschillende, ongelijke korrels die ervoor zorgen dat deze lijm minder kleefkracht heeft. ▪ Maïszetmeellijm heeft een hoog percentage amylose waardoor deze lijm een hoge kleefkracht heeft maar maïszetmeel heeft ook een gelige kleur wat niet altijd gewenst is. ▪ Rijststijfsellijm geeft een niet flexibele film wat voor papierrestauratie niet altijd gewenst is. Deze lijm vergeelt gemakkelijk.
Nadelen zetmeellijm
▪ Zetmeellijm kan na verloop van tijd niet meer gereactiveerd worden met water. ▪ Indien er additieven aan de lijm zijn toegevoegd, kan het gebruik van enzymen noodzakelijk zijn om de lijm te reactiveren. ▪ Kwaliteitsvolle zetmeellijm zou geen kleurverandering met zich mee mogen meebrengen bij veroudering. ▪ Kan bros worden na verloop van tijd. ▪ Is gevoelig voor insecten, schimmel, ongedierte, ...
Cellulose ethers algemeen
▪ Ontwikkeld in het begin van de 20ste eeuw in Duitsland. ▪ Deze lijmen hebben allemaal als basisbestanddeel cellulose maar de ketens zijn telkens gemodifieerd om bepaalde eigenschappen te bekomen. ▪ De cellulose komt van houtpulp of katoenlinters. ▪ Enkele voorbeelden: Methylcellulose, Hydroxypropylcellulose, Carboxymethylcellulose
Culminal® MC (methylcellulose)
▪ Oplosbaar in koud water, niet oplosbaar in water warmer dan 80°C ▪ Er kan solvent toegevoegd worden (ethanol, aceton), maar bij te hoog % aan solvent, zal de methylcellulose neerslaan. ▪ Vormt een transparante film die met water reactiveerbaar is ▪ pH tussen 6,5 en 7,5 ▪ Viscositeit gaat gepaard met de temperatuur: hoe hoger de temperatuur, hoe lopender de lijm ▪ Goed vermengbaar met (tarwe)zetmeellijm
Klucel® (hydroxypropylcellulose)
▪ Oplosbaar in water en ethanol ▪ vormt een gelijkmatige heldere en transparante film die kan gereactiveerd worden met een solvent. ▪ pH tussen 5 en 8 ▪ In vier verschillende klassen verkrijgbaar, aangeduid met letter achter de naam Klucel®: L en G hebben een laag moleculair gewicht, H en M hebben een hoog moleculair gewicht. ▪ Onderzoek heeft aangetoond dat de Klucel® met de hogere moleculaire gewichten (H en M) onstabiel zijn.
Synthetische lijmen algemeen
▪ Sinds de jaren 1950 stijgt het gebruik van synthetische lijmen voor conservatiedoeleinden. ▪ De meerderheid van deze synthetische lijmen bestaat uit lange moleculeketens (polymeren). ▪ Het zijn volledig kunstmatige polymeren, bekomen door polymerisatie, polycondensatie of polyadditie. ▪ Het zijn hoofdzakelijk polyvinyl acrylaten en polyvinyl acetaten. ▪ Men noemt deze groep ook wel thermoplastische lijmen of kortweg thermoplasten (materiaal van kunststof dat bij verhitting zacht wordt)
Polyvinylacrylaten: Lascaux® 303HV (vroeger 360HV) & Lascaux® 498HV
▪ Dispersie van een thermoplastisch acrylpolymeer op basis van methylmethacrylaat en butylacrylaat. De types 303 HV en 498 HV zijn verdikt met acrylzuurester. Alle typen zijn bij pH 8-9 gestabiliseerd en er zijn conserveringsmiddelen toegevoegd. ▪ Lascaux acryllijm is na het drogen watervast maar blijft o.a. oplosbaar in aceton, tolueen en xyleen. De lijm is zeer elastisch en blijft ook na het drogen plakkerig. De lijm heeft een grote trekkracht en hecht goed.
Glastransitie temperatuur Tg
▪ De glastransitietemperatuur is de temperatuur waarop een lijm van vast naar plastische vorm overgaat. ▪ Wanneer de temperatuur stijgt verandert het polymeer. ▪ Een synthetisch polymeer heeft drie verschijningsvormen: 1) glasachtig (bij temperaturen onder zijn glastransitietemperatuur Tg), 2) rubberachtig (bij temperaturen boven zijn Tg, maar onder zijn smeltpunt) 3)vloeibaar (boven zijn smelttemperatuur). ! BELANGRIJK BIJ HET BEHANDELEN VAN KUNSTVOORWERPEN Polymeren met een lage Tg kunnen kleverig worden bij kamertemperatuur en trekken op deze manier stof en vuil aan.
Reversibiliteit
▪ Volledige reversibiliteit ONMOGELIJK! ▪ Er zal altijd een deel van de lijm achterblijven tussen de “poriën” van het substraat. --> Daarom is het van zeer groot belang om een lijm te gebruiken die goede verouderingskenmerken heeft.
Wat zijn goede verouderingskenmerken?
▪ De lijm moet chemisch en fysisch stabiel zijn: ▪ Minimale vertoning van verkleuring: De kleuren van het object mogen niet verbleken of verdonkeren. (glans,..) ▪ Minimale pH verandering, (pH neutraal) ▪ Flexibiliteit, Soepelheid: De lijm moet soepel zijn en soepel blijven. ▪ De fysische eigenschappen moeten gelijk of net iets zwakker zijn aan die van het object (sterkte, flexibiliteit, vocht opnemend vermogen). ▪ De lijm mag geen te lage glastransitie temperatuur bezitten. De Tg van een thermoplastische lijm ligt best tussen de 40°C en de 60°C. ▪ De lijmen moeten een zo laag mogelijke activeringstemperatuur bezitten. ▪ Reversibiliteit: De lijm moet oplosbaar blijven (door warmte) of in solventen. Die solventen mogen geen schade veroorzaken aan het object.
Welke criteria bepalen de keuze van de lijm?
▪ Viscositeit: viscositeit staat in relatie tot de ketenlengte van een polymeer. Hoe langer de keten, hoe viskeuzer de lijm (vloeit minder eenvoudig), ▪ Compatibiliteit met het substraat, ▪ De lijm moet chemisch en fysisch stabiel zijn: minimale vertoning van verkleuring, pH verandering, verandering in flexibiliteit, … ▪ Bij voorkeur moet de lijm verwijderbaar zijn of her-behandelbaar, ▪ De lijm moet sterk genoeg zijn om te houden maar tegelijkertijd ook zwak genoeg om los te laten, ▪ De lijm moet eenvoudig aan te brengen en te bereiden zijn, ▪ Bestemming van het object.