Terms

1 new/unreviewed 1 total

Term

πŸ“˜ Hoofdstuk 1 – Inkomen en welvaart Bestedingen β†’ Geld dat je uitgeeft Doelgroep β†’ Voor wie een product bedoeld is Duurzaam consumeren β†’ Kopen met aandacht voor milieu en mensen Maatschappelijke kosten β†’ Nadeel voor de samenleving (zoals vervuiling) Marketinginstrumenten (6P’s) β†’ Manieren om iets te verkopen (prijs, product, plek, reclame, personeel, uitstraling) Primair inkomen β†’ Geld dat je verdient (werk, bezit) Secundair inkomen β†’ Geld dat je krijgt (uitkering, toeslag) 1.2 Besteedbaar inkomen β†’ Het deel van je inkomen dat je vrij kunt uitgeven. Lorenzcurve β†’ Laat zien hoe inkomen verdeeld is Modaal inkomen β†’ Inkomen die het meest voorkomt. Nationaal inkomen β†’ Al het verdiende geld in een land 1.3 Middelen β†’ Dingen die je nodig hebt (geld, tijd, spullen) Prioriteiten stellen β†’ Kiezen wat het belangrijkst is Schaars β†’ Er is te weinig van iets Welvaart β†’ Hoeveel spullen/geld je hebt Welzijn β†’ Hoe goed je leeft 1.4 CPI β†’ Meet hoe duur alles wordt Inflatie β†’ Prijzen stijgen Geldontwaarding β†’ Geld wordt minder waard Koopkracht β†’ Wat je kunt kopen Loon-prijsspiraal β†’ Lonen ↑ β†’ prijzen ↑ β†’ lonen ↑ Nominaal β†’ Zonder inflatie ReΓ«el β†’ Met inflatie Prijscompensatie β†’ Loon stijgt net zoveel als prijzen πŸ“˜ Hoofdstuk 2 – Geld 2.1 Budgetplan β†’ Overzicht van geld in en uit Reserveren β†’ Sparen voor iets groots Dagelijkse uitgaven β†’ Dingen die je vaak koopt Vaste lasten β†’ Verplichte kosten (huur, abonnement) Incidentele uitgaven β†’ Soms iets kopen(reparatie van auto) 2.2 Beleggen β†’ Geld investeren om winst te maken Enkelvoudige rente β†’ Rente alleen over beginbedrag Samengestelde rente β†’ Rente op rente Nominale rente β†’ Rente van de bank ReΓ«le rente β†’ Rente min inflatie Rendement β†’ Winst in % Spaardeposito β†’ Sparen waarbij geld vaststaat Spaardoelen β†’ Waarom je spaart 2.3 Consumptief krediet β†’ Lening voor spullen Hypotheek β†’ Lening voor huis Persoonlijke lening β†’ Vast bedrag + vaste tijd Doorlopend krediet β†’ Steeds opnieuw lenen Salariskrediet β†’ Rood staan Koop op afbetaling β†’ Nu kopen, later betalen Private lease β†’ Auto huren per maand Leenmotieven β†’ Waarom je leent 2.4 Aanbod van geld β†’ Geld dat banken hebben Vraag naar geld β†’ Hoeveel mensen willen lenen Rente β†’ Prijs van geld Geldfuncties: Ruilmiddel β†’ betalen Spaarmiddel β†’ bewaren Rekenmiddel β†’ prijzen vergelijken πŸ“˜ Hoofdstuk 3 – Bedrijven 3.1 Investeren β†’ Geld uitgeven om later meer te verdienen Kostprijs β†’ Kosten per product Productiefactoren β†’ Wat nodig is om te produceren (arbeid, machines, etc.) Toegevoegde waarde β†’ Extra waarde door bewerking Variabele kosten β†’ Veranderen met productie Vaste kosten β†’ Blijven hetzelfde 3.2 Arbeidsproductiviteit β†’ Productie per persoon in een bepaalde tijd(Hoeveel iemand maakt) Brutowinst β†’ Verkoop βˆ’ inkoop MVO β†’ Goed zijn voor mens en milieu Omzet β†’ Totale verkoop Productiecapaciteit β†’ Max wat een bedrijf kunt maken 3.3 Evenwichtshoeveelheid β†’ Hoeveel er verkocht wordt bij balans Evenwichtsprijs β†’ Prijs waarbij vraag = aanbod Transparante markt β†’ Alles is goed te vergelijken 3.4 Fusie β†’ Wanneer twee bedrijven samengaan tot één bedrijf. Homogene goederen β†’ Geen verschil (bijv. water) Heterogene goederen β†’ Wel verschil (merken) Kartel β†’ Illegale prijsafspraken Marktaandeel β†’ Deel van de markt Monopolie β†’ 1 aanbieder Oligopolie β†’ Paar aanbieders Monopolistische concurrentie β†’ Veel aanbieders, verschillende producten Volkomen concurrentie β†’ Veel aanbieders, zelfde product πŸ“˜ Hoofdstuk 4 – Arbeid Arbeidsmarkt β†’ Vraag en aanbod van werk Arbeidsparticipatie β†’ Hoeveel mensen werken Arbeidsverdeling β†’ Iedereen doet een deel Krappe arbeidsmarkt β†’ Meer banen dan mensen Loon β†’ Geld voor werk Werkloosheid β†’ Geen werk Soorten: Conjunctureel β†’ Door slechte economie Frictie β†’ Tussen banen Structureel β†’ Geen goede match Seizoens β†’ Alleen in bepaalde tijden πŸ“˜ Hoofdstuk 5 – Overheid Collectieve sector β†’ Overheid+socialezekerheid Particuliere sector β†’ Bedrijven + burgera Privatisering β†’ Overheid verkoopt taken BBP β†’ Alles wat een land maakt Economische groei β†’ Meer productie Recessie β†’ Minder productie Vrijemarkteconomie β†’ Markt zonder overheidsingrijpen Planeconomie β†’ Overheid bepaalt alles Sociale markteconomie β†’ Markt met overheidsingrijpen πŸ“˜ Hoofdstuk 6 – Belastingen Belastbaar inkomen β†’ Waarover je belasting betaalt Aftrekposten β†’ Minder belasting door kosten Heffingskorting β†’ Korting op belasting Progressief belasting β†’ Meer verdienen = meer % Vermogen β†’ Bezit βˆ’ schulden Ongelijkheid: Nivellering β†’ Verschillen tussen inkomens worden kleiner. Denivellering β†’ Verschillen tussen inkomens worden groter. πŸ“˜ Hoofdstuk 7 – Buitenland Import β†’ Kopen uit buitenland Export β†’ Verkopen aan buitenland Vrijhandel β†’ Geen regels Protectie β†’ Eigen bedrijven beschermen Globalisering β†’ Wereld wordt meer verbonden πŸ“˜ Hoofdstuk 8 – Ontwikkelingslanden Inkomen per hoofd β†’ Gemiddeld per persoon Vicieuze cirkel β†’ Probleem blijft doorgaan Monocultuur β†’ Afhankelijkheid van één of enkele exportproducten. Microkrediet β†’ Kleine lening Fairtrade β†’ Eerlijke prijzen

Definition

New/Unreviewed

Practice Tests

0 total
(None) Completed practice tests will show up here